Met aandacht voor samenhang
Home 
Publicaties Impressies Andere bronnen Actueel Contact
 
Publicaties
 
Hoezo goede doelen?
Projectanalyses
Problemen van nu
Wat kun je doen?
Relevante thema's

De ondergang van de kleinschalige familielandbouw in Brazilië

Stasio Komar

Brazilië heeft een lange traditie als agrarische cultuur. Landbouw en veeteelt vormen daar nog steeds een van de belangrijkste middelen van bestaan. Maar lang niet meer voor zoveel mensen als 50 jaar geleden. Het verhaal van een revolutie van de grootsten tegenover de kleinsten.

Het begin

Landbouw en veeteelt, opbrengsten van de natuur. Nog voor het ontstaan van de eerste plantages was er al een houtsoort die in grote hoeveelheden uit Brazilië geëxporteerd werd. Al gauw na de ontdekking van dit deel van Zuid-Amerika door de Portugees Pedro Álvares Cabral in 1500 werd het "Pau Brasil" naar Europa gebracht. Dit was het rode tropische hout, waarvan voornamelijk de kleurstof werd gebruikt in de textielindustrie. Heel wat bomen zijn ervoor gerooid. Het is het begin van het verdwijnen van de oorspronkelijke begroeiing. Alleen al van het Atlantisch regenwoud in het oosten van Brazilië, dat in 1500 ongeveer 1 miljoen vierkante kilometer besloeg (ca. 35 maal Nederland) is nu nog maar 10 % over (ca. 4 maal Nederland). Op het vrijgekomen land werden grote plantages gevestigd. Suikerriet en later cacao en koffie werden de grote exportproducten. Om voldoende werkkrachten te hebben voor deze groeiende activiteit, importeerde men slaven uit Afrika.

De nieuwkomers

Maar halverwege de negentiende eeuw werd de slavenhandel verboden. De grondbezitters mochten nog wel slaven houden, maar ze mochten geen nieuwe slaven kopen. De overheid vaardigde ook een wet uit, waarmee het gemakkelijk was om aan land te komen. Pas toen in 1888 de slavernij volledig werd afgeschaft en er een systeem van loonbetaling ontstond, kwam er, vooral vanuit Europa een grote immigratiestroom op gang. Allerlei mensen die een nieuwe toekomst zochten, kwamen naar Brazilië. Ze werden vooral aangetrokken door het nieuws dat ze er beter konden verdienen dan in de Europese landbouw. Daarbij waren zeer veel niet-bemiddelde gezinnen die vooral werden aangetrokken door de grote hoeveelheden grond waarover ze gratis of voor weinig geld konden beschikken. Al gauw volgden meer immigranten van over de hele wereld. De landbouwers onder hen werkten hard en velen slaagden erin om inderdaad een beter leven te scheppen.Toch waren er ook veel die op de mooie (en niet altijd even juiste) beloften waren afgekomen en die teleurgesteld terugkeerden naar hun land. Zij die dan toch bleven, leidden een leven in bittere armoede of trokken naar andere gebieden in de hoop op een nieuwe kans.

De kolonies

De overheid speelde vanaf begin negentiende eeuw een grote rol in de bepaling van de plaatsen waar de immigranten zich mochten vestigen. Vooral in het zuiden van het land werden allerlei kolonies opgericht waar de nieuwkomers stukken grond kregen toegewezen. Tussen 1850 en 1871 vestigden zich daar veel Duitsers. Ze verbouwden vooral tarwe, maar voerden daarnaast gemengde bedrijven. Van 1872 tot 1886 kwamen veel Oost-Europeanen en Italianen. De eersten hielden zich vooral bezig met de houtkap, de Italianen teelden voornamelijk druiven. Op deze manier zijn ook Nederlandse en andere kolonies gesticht, die nog steeds bestaan. Door de opkomst van de koffie kwamen veel nieuwelingen in dienst van grote landeigenaren. Maar ook onder hen waren altijd gezinnen die daarnaast hun eigen stuk grond bebouwden. Daarvan konden ze in het onderhoud van hun gezin voorzien. Soms verkochten ze ook een deel van de opbrengst.

Naast de vestigingen van nieuwkomers waren ook op andere plaatsen in Brazilië kolonies gesticht. Deze ontstonden na interne verplaatsingen van allerlei bevolkingsgroepen die al in Brazilië leefden.

Zo ontstonden overal in het land agrarische familiebedrijven.

De familielandbouw

Deze familielandbouw vormde tot voor kort een zeer belangrijke en veel voorkomende bron van inkomsten. De gezinnen hadden, ondanks de moeilijke omstandigheden, een zekere zelfstandigheid. In tegenstelling tot de op export gerichte, meestal grote bedrijven, de fazenda's, waren de familiebedrijven meer gericht op de eigen Braziliaanse markt.

De familielandbouw nam ook andere vormen aan. Sommige bedrijven hadden geen grond in eigendom, maar pachtten grond of deelden grond met andere gezinnen. Weer anderen werkten op grond van anderen en betaalden bijvoorbeeld met een deel van de opbrengst. Bij het ontstaan van de coöperaties waren soms grotere groepen eigenaar van de grond. In ieder geval zorgde deze vorm van landbouw en veeteelt voor de inkomens van een aanzienlijk deel van de bevolking.

De uitverkoop

De grote verandering kwam met de industrialisering van de landbouw in het begin van de twintigste eeuw. Grote, vaak buitenlandse, bedrijven begonnen kunstmest, bestrijdingsmiddelen en machines aan de boeren te verkopen. Zo konden die, zo werd gezegd, hun opbrengsten vergroten. Omdat de meesten niet veel kapitaal hadden, kregen ze kredieten van de leveranciers. Vaak bleken de toegepaste technieken niet geschikt voor het klimaat of de grond. Als er dan oogsten mislukten, konden de boeren hun leningen niet afbetalen en gingen failliet. Ook konden ze de concurrentie van de fazenda's dikwijls niet aan. Die waren vele malen groter en konden voor lagere prijzen werken. Op den duur gingen de leveranciers van industriële landbouwproducten zelfs de prijzen bepalen. Dat lukte omdat de boeren aan niemand anders hun producten kwijt konden. Er was namelijk geen concurrentie meer. Bovendien waren veel boeren zwaar in de schuld door de leningen tegen hoge rentes, dus waren ze gemakkelijker te "overtuigen" om ook maar aan de geldverschaffer de opbrengsten van hun land af te staan. Het resultaat was dat vooral de grootste landbouwondernemingen overleefden. Langzaam gingen honderdduizenden kleine bedrijfjes kapot.

De grootsten

De hierboven beschreven ontwikkeling noemt men ook wel "De groene revolutie". Een merkwaardige naam als je bedenkt hoe zeer de invloed van deze omwenteling de sociale structuren, het milieu, en de hele economie van Brazilië aantastte en beïnvloedde. Waar eerst beslissingen werden genomen op vele kleinschalige niveaus, kwam het feitelijke beheer van een hele tak van de economie geleidelijk op steeds centraler plaatsen uit.

Op den duur werden de concerns die zowel de toelevering als de afname van producten en diensten in handen hadden zó groot, dat ze op machtige regeringen begonnen te lijken, die het hele productieproces van het begin tot het eind bepaalden . Ook het verwerken van de grondstoffen, de export en de afzet in het buitenland kwam in slechts enkele handen.

Op dit moment is de Braziliaanse markt voor een aantal belangrijke agrarische producten verdeeld tussen enkele giganten.

Zo is bijvoorbeeld het bedrijf Parmalat in handen van de Italiaanse groep Tanzi. Parmalat had in de negentiger jaren zoveel zuivelbedrijven opgekocht dat zij de enige in het hele land werd die in alle regio's van Brazilië melk op kon halen voor verwerking.

Er zijn maar vier bedrijven die bijna de hele productie van poedermelk in handen hebben (Nestlé, Itambé, Paulista en Glória). Van de verwerking van mais tot zetmeel hebben maar twee bedrijven bijna de totale productie in handen (Milho do Brasil en Arisco). Het bedrijf Nestlé is ook in andere verwerkende industrieën marktleider (oploskoffie, bouillons, soepen en chocolade).

Een bekend geval van totale buitenlandse beheersing van de Braziliaanse markt is die van de tabak. Al in 1980 was de hele markt voor tabak in handen van twee multinationals: De British American Tobacco en Philip Morris. En deze twee bedrijven bezaten nog geen hectare productieve grond in Brazilië. Toch beheerden zij het hele productieproces. Ze schreven zelfs voor welke variëteiten er mochten worden geplant, wat de meest geschikte technologie was, ze leverden de technische assistentie en de volledige financiering. En tenslotte bepaalden zij ook de prijzen van de tabak.

De gevolgen

Deze voorbeelden verklaren waarom Brazilië, net als veel andere landen in ontwikkeling, in groeiende mate afhankelijk is geworden van zulke investeringen. Bedrijven die slechts op papier geïnteresseerd zijn in een land en in de winsten die het oplevert, kunnen ongetwijfeld weinig belang hebben bij het welzijn van de bevolking. Door te lage prijzen te bieden en leningen tegen hoge rentes te verstrekken houden ze de boeren afhankelijk. En zodra er een crisis in de branche is, verlaagt men de prijzen nog meer of men verplaatst zijn investering naar landen waar de boeren voor nog lagere prijzen werken en niet al te kritisch zijn. Bovendien werken deze bedrijven monoculturen in de hand. Daardoor wordt de grond uitgeput, het milieu belast door chemische producten en bij ziekten van de plant wordt het risico van misoogst vergroot. Daarnaast vormen de arbeidsomstandigheden voor de boeren (lange dagen, contact met gifstoffen, soms kinderarbeid) een extra gevaar. De Braziliaanse overheid heeft aan de uitverkoop van allerlei nationale industrieën van harte meegeholpen.

Het gevolg van de grootschalige industrialisering van landbouw en veeteelt is hier duidelijk de teloorgang van de familielandbouw. De landbouwbedrijven werden als het ware oogstfabrieken. Alleen de allergrootsten konden de concurrentieslag overleven. Mede daardoor kwam een massale uittocht van de bevolking op gang. Ze verloren hun grond, hun zelfstandigheid, hun inkomsten en alles waarvoor hun voorouders de reis naar het verre land hadden ondernomen. Velen belandden in de sloppenwijken van groeiende steden met alle gevolgen vandien.

Hoe verder?

Een sprankje nieuwe hoop is er ontstaan met de landbezettingen, de acampamentos en de assentamentos. Een deel van de landlozen die weigeren naar de steden te gaan, verenigt zich. Ze bezetten braakliggende stukken grond om daar alsnog aan een nieuwe toekomst te bouwen. Dat dit met veel tegenstand en geweld van allerlei partijen, inclusief van de overheid, gepaard gaat is dagelijks nieuws. Van 1995 tot 2000 werden minstens 214 boeren gedood. Toch hebben veel van deze nederzettingen succes dankzij de aanwezigheid, ter plaatse, van enkele organisaties. Zij zetten zich, vaak met een minimum aan steun en gevaar voor eigen leven, in voor deze mensen. Ze zijn voor het grote publiek in het buitenland niet zo bekend, onder andere omdat media en de vele wervende organisaties voor andere doelen er naar verhouding nauwelijks aandacht aan besteden. Maar weinigen beseffen dat juist sloppenwijken historisch het gevolg zijn van het tenietgaan van de kleinschalige agrarische bedrijven.

Zie voor een concreet voorbeeld van een landbezetting: Escola Livre.

Een vergelijking

Ook in andere landen van de wereld zijn ontwikkelingen, zoals hierboven beschreven, al langere tijd aan de gang. Overal is grootschaligheid een economische wet geworden. Vooral nu bedrijven op de beurs genoteerd zijn, moeten ze nog meer winst maken. En omdat aandeelhouders nog meer afstand hebben van de bedrijven waarin ze investeren, zijn ze er nog minder bij betrokken. En als het bedrijf, waarin ze hebben belegd het niet goed genoeg doet, hoeven ze alleen hun aandelen maar te verkopen. En als de beurzen het niet goed doen, gaan ze, begrijpelijkerwijs, naar veiliger investeringen. En als teveel beleggers hun effecten verkopen storten de beurzen in. Met als gevolg de vrees om nog langer te beleggen, zeker niet in gevoelige sectoren als landbouw en vooral niet in landbouw die rekening houdt met mens en milieu.

Nederland en de Europese Gemeenschap

In Nederland en de rest van Europa zijn landbouw en vooral veeteelt op grote schaal net zo geïndustrialiseerd als in Brazilië. Dit proces is al veel eerder begonnen. Maar de gevaren die het oplevert (grote afhankelijkheid van export, monocultuur, verspreiding van epidemieën, belasting van dier, mens en milieu) zijn net zo groot. Ook in Europa hebben veel boeren hun bedrijf in het verleden opgegeven en zijn ander werk gaan zoeken, als dat er was. Of ze emigreerden. Bijvoorbeeld naar Brazilië. Het is dan ook geen wonder dat de agrarische sector in Europa zo zwaar gesubsidieerd is. Dat bewijst alleen maar dat ze veel minder overlevingskansen heeft zonder die steun. Ook hier geldt waarschijnlijk dat de grootsten overleven. Zij het dan dat sommige dat nu doen door de meeste subsidies binnen te halen. Het is zelfs de vraag of de sector in de toekomst wel kan concurreren met de mega-bedrijven in landen als Brazilië. En daar is dan tenminste voor de landlozen nog ruimte om te bezetten, hier nauwelijks meer.

En wat gebeurt er met de duizenden kleine boerenbedrijven van de nieuwe landen die nu deel uit gaan maken van de Europese Gemeenschap?

Is het niet hoog tijd dat bedrijven en investeerders zich bezig gaan houden met de ontwikkeling van kwaliteit in plaats van kwantiteit? Zo kunnen meer mensen een kans krijgen op de arbeidsmarkt. En de producten die ze leveren zijn minder gericht op winst en meer op welzijn van producent en consument.