| Minister
Jan Pronk en de lobbyisten voor ontwikkelingssamenwerking van de
Verenigde Naties willen meer geld gaan uitgeven aan basishulp voor
ontwikkelingslanden. Pronk heeft zondag 4 augustus vanuit het verre
Kathmandu (Nepal) laten weten daar volgend jaar bijna 20% van zijn
budget aan te willen uitgeven, "in plaats van 10% nu".
Wat is basishulp eigenlijk? "Basishulp" is een verzamelterm
voor gezondheidszorg, onderwijs en schoonwaterprojecten. Dat zijn
geen ondernemingen die in een doodarm derde wereld land hun eigen
geld kunnen opbrengen.
Basishulp zet dan ook activiteiten in werking waar tot in lengte
van dagen hulpgeld achteraan gestuurd zal moeten worden. Waar hulpgeld
heen gaat, gaan ook helpers heen: het geld kan niet zo maar ongecontroleerd
besteed en uitgegegeven worden, dat is duidelijk. Hulpverleners
zullen moeten blijven helpen bij het verstrekken van de broodnodige
"basishulp".
Zonder blijvende hulp en zonder steeds nieuwe helpers verwordt alle
geld dat er tevoren in basishulpprojecten geïnvesteerd is tot
weggegooid geld. Het stop zetten van basishulp is grove kapitaalvernietiging.
Met belastinggeld betaalde projecten mogen op die manier niet vernietigd
worden, dat spreekt. De verontwaardiging in het parlement en de
media zou dan immers groot zijn. Het zou nauwelijks nodig zijn om
die verontwaardiging nog door de voorlichters van het betrokken
ministerie te laten regisseren of bijstellen.
Het lijkt er haast op alsof er in Pronk's verklaring van begin augustus
sprake is van een de planeet omspannend, door de Verenigde Naties
georganiseerd werkverschaffingsproject voor ontwikkelingswerkers,
waarbij met vooruitziende blik gepoogd wordt ook in de verre toekomst
de interessante banen veilig te stellen die door ontwikkelingssamenwerking
worden geschapen.
De borreltafel zal wel graag bereid zijn kwade trouw te veronderstellen
bij de "wortelsapmafia" of hoe de internationale basishulpverleners
daar ook worden aangeduid. Maar er is van kwade trouw zeker geen
sprake. Het is triest, maar het is niets anders dan de officiële
ideologie van de ontwikkelingshulp en de ontwikkelingssamenwerking.
Die ideologie is zoals de meeste ideologieën even eenvoudig
als sympathiek. Hoe luidt die ideologie? Er zijn arme en er zijn
rijke landen. Het verschil is groot. Te groot. Dat is immoreel,
en moet veranderen. Hoe? Vroeger waren er arme en rijke mensen.
Het verschil was te groot. Dat was immoreel. Een grote hoeveelheid
complexe maatregelen heeft daar verandering in aangebracht. Wat
met mensen kan, kan met landen ook. Aan het werk dus. Allereerst:
armoedebestrijding.
In de zestiger en zeventiger jaren werden de Westerse arbeiders
steeds maar welvarender. Ze kwamen niet, zoals het Marxisme had
voorspeld, in steeds ellendiger omstandigheden te verkeren. Sommige
vrome Marxisten verloren daardoor hun geloof in de zogeheten Verelendung,
een wezenlijk leerstuk uit het geloof der kameraden. Dat was een
verdrietig verlies.
Sommigen vonden er iets voor in de plaats. De Verelendung, zo zagen
zij in, bestond wel degelijk, maar de Verelendung deed zich voor
tussen de "derde wereld" en het rijke Westen, en niet
tussen werknemers en kapitalist.
Marx was gered. Het was voorlopig weer mogelijk om te geloven dat
de offers die het Marxisme had gevraagd niet voor niets waren geweest.
Maar zowel deze inmiddels verouderde Marxistische nieuwlichterij
als de officiële ontwikkelingsideologie bevatten een denkfout:
mensen en landen worden, ten onrechte, met elkaar gelijk gesteld.
Zoals elke jurist of politicoloog en overigens iedereen met gezond
verstand weet, gehoorzamen mensen en landen aan geheel verschillende
regels en wetten.
Het is moeilijk maar mogelijk om binnen een land de inkomensverschillen
met allerlei kunstgrepen te verkleinen. Daar is ook een min of meer
democratische basis voor aanwezig: er zijn zoals bekend meer mensen
met een laag inkomen dan mensen met een hoog inkomen. Maar tussen
landen werkt het niet zo. Waarom? Daarover later.
Eerst iets over de primaire activiteit van de ontwikkelingshelpers:
armoedebestrijding, en de bijeffecten daarvan. Al ras bleek dat
wie in de derde wereld minder arm werd gemaakt, "rare dingen"
met zijn geld ging doen. Wat ga je doen met nieuw inkomen als er
geen warenhuis en geen supermarkt in de buurt is? Geen theatercentrum
en geen bioscoop? Geen tennisbaan en geen museum? Geen opera en
geen sportschool? Er is dan een oud, voor de hand liggend vermaak,
waar de gedachten als onontkoombaar naar uitgaan. Is er voor een
echte man een begeerlijker bezit dan vrouwen?
Terecht dwongen feministen dan ook af dat ontwikkelingshulp en armoedebestrijding
"niet ten koste van de vrouw" mochten gaan. Het was natuurlijk
dwaasheid om Westers belastinggeld te besteden aan mannen in de
derde wereld, die in staat gesteld zouden moeten worden om hun drang
naar polygamie te bevredigen. Zo moest het niet. Daar was iedereeen
het al snel over eens. Nog steeds zijn "Vrouwen en Ontwikkeling"
dan ook een speerpunt van het beleid van het Nederlandse Ministerie
van Ontwikkelingssamenwerking.
Uit dit voorbeeld blijkt meteen al dat de besteding van ontwikkelingsgeld
niet in strijd kan en mag zijn met de opvattingen over fatsoen en
deugdzaamheid van de belastingbetalers in het hulpgevende land.
(Het gaat immers om belastingpenningen die worden opgebracht door
werkende jongeren en waar aan de kassa van de supermarkt zelfs bijstandsmoeders
via de BTW aan mee betalen).
Er is weinig studie voor nodig om te begrijpen dat de normen van
de hulpontvangende landen en van de hulpgevende landen maar zelden
bijelkaar aansluiten. En dat hulp die de gever heel passend vindt,
door de ontvanger als dwaas beschouwd kan worden, of omgekeerd.
Hulp die wel geaccepteerd wordt maar door een Nederlandse belastingbetaler
als ongepast zou worden ervaren als hij er van weten zou, is bijvoorbeeld:
een arts om te helpen doodvonnissen te voltrekken, of een bibliotheek
(uiteraard op slot en de sleutel zoek) vol vrome (fundamentalistische?)
boeken in een dorp waar niemand lezen kan. Hulp waarover daarentegen
door de cliënten uiterst genuanceerd wordt gedacht is bijvoorbeeld
bemoeienis met sexualiteit, familieleven en geboortebeperking. Dit
soort hulp wordt trouwens "reproductieve gezondheidszorg"
genoemd in het jargon van de ontwikkelings-hulpverstrekkers.
Mag de nagestreefde armoedebestrijding wel ten koste van het milieu
gaan? Ook dat is een lastig probleem. In Europa zijn de bossen weggehakt
om ruimte te maken voor steden, industrieterreinen en autobanen.
Maar waar komen we terecht als in de derde wereld de bossen ook
worden weggehakt? Nog steeds zijn "Milieu en Ontwikkeling"
dan ook een speerpunt van het beleid van het Nederlandse Ministerie
van Ontwikkelingssamenwerking. En terecht. Red het regenwoud. Koop
geen hardhout meer.
Die actie heeft overigens een belangwekkend bijeffect gehad. De
vraag naar hardhout nam inderdaad af. De prijzen kwamen onder druk
te staan, en conform de onontkoombare wetten van het kapitalisme
zakten die prijzen zelfs. Om de inkomsten van de houthakkers op
peil te houden moest er dus meer worden gehakt. Is dan ook gebeurd.
Maar was weer wat minder goed voor het milieu.
Nu ja, dan maar voedselhulp en noodhulp, dat kan toch geen kwaad.
Het is toch doodgewoon alleen maar menselijk om voedselhulp te geven
waar een hongersnood dreigt, of woedt? Inderdaad, zo is het. Er
is alleen een complicatie. Aan wie moeten de laatste boeren die
nog voedsel produceren hun waren verkopen als er ook gratis voedsel
uit de lucht komt vallen? De voedselnoodhulp is dan ook meestal
de definitieve doodsteek voor de laatste plaatselijke voedselproducenten.
Voedselhulp houdt op die manier zichzelf in stand. (Ook over dit
fenomeen bestaat een uitgebreide literatuur).
Goed, met voedselhulp moeten we dus voorzichtig zijn, maar echte
noodhulp aan groepen die in een uitzichtloze burgeroorlog zijn gewikkeld
zoals in ex-Joegoslavië of in de hoorn van Afrika, daar kunnen
we ons toch niet aan onttrekken? Inderdaad, God en gebod willen
dat we daar wat aan doen. Maar wat?
Noodhulp voor bijvoorbeeld Zuid-Soedan zal via een vliegveld dat
in handen is van Khartoem moeten arriveren. Khartoem vraagt uiteraard
een vergoeding voor het doorlaten van die noodhulp. Volgens een
noodhelper kan die vergoeding oplopen tot 90%. Moeten we wanhopige
hongerende mensen die 10% onthouden?
Ook in ex-Joegoslavië is voor het toestaan van het bezorgen
van noodhulp betaald. En het is ook ondenkbaar dat het anders is:
waar anders hebben de betrokken bevolkingsgroepen de inkomsten vandaan
gehaald om langdurig hun konflikten mee uit te vechten? Waar kwamen
de harde valuta vandaan waarmee iedereen in ex-Joegoslavië
de afgelopen jaren zijn overleving wist te financieren? Onder andere
van heffingen en tolgelden op noodhulp. Er wordt wel gedacht dat
het einde van de noodhulp ook het einde van de externe financiering
van allerlei gewapende konflikten zal betekenen, en daarmee noodgedwongen
tot vrede zal leiden.
Dat voedselhulp, noodhulp en hulp bij de opbouw van de economie
verkeerde bijeffecten hebben, heeft nu dus geleid tot extra aandacht
voor "basishulp": onderwijs, schoon water, gezondheidszorg.
Daar valt, uiteraard, ook wel weer iets over te zeggen. Schoon water
en gezondheidszorg leiden tot bevolkingstoename. Is dat zinvol als
er geen werkgelegenheid geschapen wordt of kan worden? En als er
toch werkgelegenheid wordt geschapen, is dat dan goed voor de vrouw
of het milieu? Nee natuurlijk.
Onderwijs dan, dat kan toch geen kwaad. Een schoolbord, een krijtje,
als dat niet heilzaam is, is niets het meer. Nu, ook aan onderwijs
kleven bezwaren. Het maakt, bijvoorbeeld, de opgroeiende jeugd ongeschikt
voor een grotendeels agrarisch en dorps leven, en een ander leven
zit er in de derde wereld voorlopig niet in.
Er wordt bovendien wel gedacht dat de golf van fundamentalisme die
Algerije nu treft deels te wijten is aan de massale invoering van
massaal Arabischtalig basisonderwijs in dat land, nu ruim twintig
jaar geleden. Het Arabische lager onderwijs bracht de Algerijnse
jeugd in kontakt met verontachtzaamde islamitische waarden waarvan
de fundamentalisten nu de toepassing willen afdwingen. De invoering
van algemeen onderwijs is in Algerije niet automatisch door economische
en maatschappelijke heilzame ontwikkelingen gevolgd: het is gevolgd
door een golf van gefrustreerde vroomheid.
Ook in het Westen was er trouwens eerst industrialisatie, en pas
daarna algemeen onderwijs. Als er geen Hogere Burgers zijn hoeft
een regering geen Hogere Burgerschool of HBS te stichten. Het is
niet zo dat onderwijs vooraf gaat aan welvaart: het volgt er op,
en gaat er dan mee samen. Waarom zou dat in de derde wereld anders
zijn?
Het ziet er naar uit of met verbijsterende toevalligheid elk medicijn
dat de rijke landen aan de arme landen willen geven om ook rijk
te worden, een vervelende ongewenste bijwerking heeft. Als dat het
geval zou zijn, zou het mogelijk moeten zijn om met geduld en vindingrijkheid
een medicijn te ontwikkelen dat geen ongewenste bijwerkingen heeft.
Als chemici en biologen zulke medicijnen voor mensen kunnen ontwikkelen,
waarom economen dan niet voor landen? Maar de reden waarom ontwikkelingshulp
niet mogelijk is, en ook nooit mogelijk zal zijn, ligt dieper. Het
zit hem niet in de toevallige ongelukkige bijwerkingen van hulp,
maar in het hoofddoel van de hulp zelf.
Het hoofddoel van ontwikkelingshulp en/of -samenwerking is een einde
te maken aan de onmacht om in het eigen levensonderhoud te voorzien.
Dat moet bovendien bij voorkeur op een manier gebeuren die overeenstemt
met onze normen en waarden. Maar het hoofddoel van de hulp, daar
kan niemand om heen, is het scheppen van macht.
Macht is in de vrije wereld van het Westen op allerlei manieren
verdeeld: er is een uitvoerende macht, een wetgevende macht, en
een rechterlijke macht, maar daar blijft het niet bij, er is nog
veel meer macht. Academische macht, militaire macht, de macht van
de media, partijpolitieke macht, artistieke macht, vakbondsmacht,
religieuze macht, en, uiteraard, in de handen van ondernemers, allerlei
vormen van economische macht.
Zo'n veelvormige maatschappij wordt door geleerden als Ernest Gellner
(overleden in 1995) civil society genoemd. De arme landen in de
derde wereld voldoen niet aan de kenmerken van de civil society.
Al die ontelbare machtscentra in de civil society hebben hun eigen
autonomie en hun eigen vrijheden. Ze hebben alle hun eigen grotendeels
zelf gemaakte regels.
In de derde wereld is dat niet zo. Neem het meest extreme geval:
Irak. In Irak is er maar één vrij man, en dat is de
President, de geliefde eeuwige leider van het Iraakse volk, Saddam
Hoesein. De macht over alle sectoren van de gehele maatschappij
berust uiteindelijk alleen bij hem. Er bestaan geen sectoren van
de maatschappij waar Saddam en zijn partijelite geen eindzeggenschap
over hebben. Vandaar de steeds terugkerende verhalen over de executies
van handelaars, militairen, academici, journalisten, enz.
Ontwikkelingshulp zou nu macht en bevoegdheden scheppen buiten de
bestaande Leider om. Dat wil de Leider niet, en omdat hij de alleenheerser
is, draait hij die nieuwe macht (hoe onbetekenend ook) de nek om.
Het monopolie op macht berust bij hem, en nergens anders. Succesvolle
ontwikkelingshulp zou bescheiden en plaatselijk nieuwe economische
kleinmacht scheppen. Dat wil de alleenheerser niet. De pogingen
van de ontwikkelaars om wat dan ook te bewerkstelligen zijn dus
tot mislukken gedoemd, want succes hoe gering ook zou het monopolie
op macht aantasten.
In andere derde wereld landen is het soms minder extreem of minder
scherp zichtbaar, maar niet wezenlijk anders. Ontwikkelingshulp
komt macht scheppen op plekken waar geen macht was. Ontwikkelingshulp
schept een stereo-effect in een mono-maatschapij. Dat vindt uiteraard
geen genade in de ogen van de bestaande machthebbers. De bestaande
machthebbers werken de activiteiten van de ontwikkelingshulpverleners
dus tegen.
Machthebbers in de derde wereld zijn wel tot het veinzen van medewerking
te bewegen als er voor hen persoonlijk een redelijk voordeel aan
zit. Iedereen overal is altijd bereid mee te werken aan wat hem
persoonlijk voordeel biedt, zeker als er niemand door wordt geschaad.
Er circuleren dan ook talloze verhalen over ontwikkelingswerkers
die ministers en topambtenaren omkopen om dezen zo ver te krijgen
dat ze bereid zijn een aanvraag voor een project bij een "donorland"
in te dienen of te meeondertekenen. Die aanvraag is dan ook nog
meestal aan een bureau in Den Haag of Washington inelkaar gezet.
Het is een veelvuldig voorkomende praktijk dat Westerse ambtenaren
met alle mogelijke middelen functionarissen in de derde wereld voor
ontwikkelingssamen-werkingsprojecten proberen te interesseren. Outsiders
worden er steeds weer door geschokt als ze er van horen, maar het
gaat voortdurend om hetzelfde. "Nederlands smeergeld in Kenya",
kopt de Zwolse Courant van 31 juli. "Zakken vullen met ontwikkelingsgeld",
meldt het Leidsch Dagblad van 3 augustus.
Het Zwitsers bankbedrijf vaart er wel bij. Maar wanneer de charmante
ambtenaren die zich met deze zaken bezig houden niet hun toevlucht
zouden nemen tot zulke methoden, dan zouden de voor de ontwikkeling
van de derde wereld bestemde belastingpenningen grotendeels onbesteed
blijven. En budgetten moeten op, dat is bekend in alle landen van
de wereld.
Het is uiteraard de vraag of Nederlands belastinggeld dat op een
Zwitserse bankrekening van een minipotentaat uit de derde wereld
wordt gezet, besteed is op een manier die de wetgever toen hij de
belasting oplegde voor ogen had.
Hebben de uitgaven bedoeld voor ontwikkelingshulp dan helemaal geen
effect? Legt Official Development Aid, "ODA" in het taaltje
van de ingewijden, geen enkel gewicht in de schaal? Nou, zo erg
is het niet. Het is, ondanks de bescheiden omvang van de gelden,
meestal net te veel om geen kwaad te doen.
Wel is het zo dat Birma en het Nicaragua van de Sandinisten wegens
politiek stout geweest enige tijd geen ODA hebben gekregen maar
desalniettemin meer groei enz. wisten te boeken dan een lievelingsland
van de donoren als Bangladesh in dezelfde periode. Ook is het zo
dat volgens een enkele consultant er een verband bestaat tussen
de hoeveelheid hulp en de hoeveelheid vluchtelingen die een regio
produceert. Immers, hoe meer hulp (en dus wegen, havens en vliegvelden)
hoe makkelijker het wordt de weg naar de vrije wereld te vinden.
Bestaan er eigenlijk wel activiteiten of gebeurtenissen in de derde
wereld waar ODA niet aan zou willen sleutelen? Die naar het eenstemmige
gevoelen van de ODA-experts buiten het bereik van de ODA vallen?
Zijn er menselijke activiteiten denkbaar die niet "ontwikkelingsrelevant"
zijn? Zo nee, dan is een minister van ontwikkelingssamenwerking
niet alleen maar gewoon de de minister van ontwikkelingssamenwerking,
maar dan is hij eigenlijk de Minister van Alles. De huidige Minister
van Alles is de kwaadste niet: hij gaat meer basishulp verstrekken.
|