Met aandacht voor samenhang
Home 
Publicaties Impressies Andere bronnen Actueel Contact
 
Andere bronnen
Gedrukte media
 
Alternatieve economie  
Milieu en Voedsel-
vraagstukken
 
Verslagen van Pequeno-partners  
Artikelen en boeken over Brazilië  
Braziliaanse Literatuur  
Filantropie  
   
Links  

De onzin van ontwikkelingshulp

Hans Jansen

Uit: HP/De Tijd 16-08-1996

Minister Jan Pronk en de lobbyisten voor ontwikkelingssamenwerking van de Verenigde Naties willen meer geld gaan uitgeven aan basishulp voor ontwikkelingslanden. Pronk heeft zondag 4 augustus vanuit het verre Kathmandu (Nepal) laten weten daar volgend jaar bijna 20% van zijn budget aan te willen uitgeven, "in plaats van 10% nu".
Wat is basishulp eigenlijk? "Basishulp" is een verzamelterm voor gezondheidszorg, onderwijs en schoonwaterprojecten. Dat zijn geen ondernemingen die in een doodarm derde wereld land hun eigen geld kunnen opbrengen.
Basishulp zet dan ook activiteiten in werking waar tot in lengte van dagen hulpgeld achteraan gestuurd zal moeten worden. Waar hulpgeld heen gaat, gaan ook helpers heen: het geld kan niet zo maar ongecontroleerd besteed en uitgegegeven worden, dat is duidelijk. Hulpverleners zullen moeten blijven helpen bij het verstrekken van de broodnodige "basishulp".
Zonder blijvende hulp en zonder steeds nieuwe helpers verwordt alle geld dat er tevoren in basishulpprojecten geïnvesteerd is tot weggegooid geld. Het stop zetten van basishulp is grove kapitaalvernietiging. Met belastinggeld betaalde projecten mogen op die manier niet vernietigd worden, dat spreekt. De verontwaardiging in het parlement en de media zou dan immers groot zijn. Het zou nauwelijks nodig zijn om die verontwaardiging nog door de voorlichters van het betrokken ministerie te laten regisseren of bijstellen.
Het lijkt er haast op alsof er in Pronk's verklaring van begin augustus sprake is van een de planeet omspannend, door de Verenigde Naties georganiseerd werkverschaffingsproject voor ontwikkelingswerkers, waarbij met vooruitziende blik gepoogd wordt ook in de verre toekomst de interessante banen veilig te stellen die door ontwikkelingssamenwerking worden geschapen.
De borreltafel zal wel graag bereid zijn kwade trouw te veronderstellen bij de "wortelsapmafia" of hoe de internationale basishulpverleners daar ook worden aangeduid. Maar er is van kwade trouw zeker geen sprake. Het is triest, maar het is niets anders dan de officiële ideologie van de ontwikkelingshulp en de ontwikkelingssamenwerking.
Die ideologie is zoals de meeste ideologieën even eenvoudig als sympathiek. Hoe luidt die ideologie? Er zijn arme en er zijn rijke landen. Het verschil is groot. Te groot. Dat is immoreel, en moet veranderen. Hoe? Vroeger waren er arme en rijke mensen. Het verschil was te groot. Dat was immoreel. Een grote hoeveelheid complexe maatregelen heeft daar verandering in aangebracht. Wat met mensen kan, kan met landen ook. Aan het werk dus. Allereerst: armoedebestrijding.
In de zestiger en zeventiger jaren werden de Westerse arbeiders steeds maar welvarender. Ze kwamen niet, zoals het Marxisme had voorspeld, in steeds ellendiger omstandigheden te verkeren. Sommige vrome Marxisten verloren daardoor hun geloof in de zogeheten Verelendung, een wezenlijk leerstuk uit het geloof der kameraden. Dat was een verdrietig verlies.
Sommigen vonden er iets voor in de plaats. De Verelendung, zo zagen zij in, bestond wel degelijk, maar de Verelendung deed zich voor tussen de "derde wereld" en het rijke Westen, en niet tussen werknemers en kapitalist.
Marx was gered. Het was voorlopig weer mogelijk om te geloven dat de offers die het Marxisme had gevraagd niet voor niets waren geweest.
Maar zowel deze inmiddels verouderde Marxistische nieuwlichterij als de officiële ontwikkelingsideologie bevatten een denkfout: mensen en landen worden, ten onrechte, met elkaar gelijk gesteld. Zoals elke jurist of politicoloog en overigens iedereen met gezond verstand weet, gehoorzamen mensen en landen aan geheel verschillende regels en wetten.
Het is moeilijk maar mogelijk om binnen een land de inkomensverschillen met allerlei kunstgrepen te verkleinen. Daar is ook een min of meer democratische basis voor aanwezig: er zijn zoals bekend meer mensen met een laag inkomen dan mensen met een hoog inkomen. Maar tussen landen werkt het niet zo. Waarom? Daarover later.
Eerst iets over de primaire activiteit van de ontwikkelingshelpers: armoedebestrijding, en de bijeffecten daarvan. Al ras bleek dat wie in de derde wereld minder arm werd gemaakt, "rare dingen" met zijn geld ging doen. Wat ga je doen met nieuw inkomen als er geen warenhuis en geen supermarkt in de buurt is? Geen theatercentrum en geen bioscoop? Geen tennisbaan en geen museum? Geen opera en geen sportschool? Er is dan een oud, voor de hand liggend vermaak, waar de gedachten als onontkoombaar naar uitgaan. Is er voor een echte man een begeerlijker bezit dan vrouwen?
Terecht dwongen feministen dan ook af dat ontwikkelingshulp en armoedebestrijding "niet ten koste van de vrouw" mochten gaan. Het was natuurlijk dwaasheid om Westers belastinggeld te besteden aan mannen in de derde wereld, die in staat gesteld zouden moeten worden om hun drang naar polygamie te bevredigen. Zo moest het niet. Daar was iedereeen het al snel over eens. Nog steeds zijn "Vrouwen en Ontwikkeling" dan ook een speerpunt van het beleid van het Nederlandse Ministerie van Ontwikkelingssamenwerking.
Uit dit voorbeeld blijkt meteen al dat de besteding van ontwikkelingsgeld niet in strijd kan en mag zijn met de opvattingen over fatsoen en deugdzaamheid van de belastingbetalers in het hulpgevende land. (Het gaat immers om belastingpenningen die worden opgebracht door werkende jongeren en waar aan de kassa van de supermarkt zelfs bijstandsmoeders via de BTW aan mee betalen).
Er is weinig studie voor nodig om te begrijpen dat de normen van de hulpontvangende landen en van de hulpgevende landen maar zelden bijelkaar aansluiten. En dat hulp die de gever heel passend vindt, door de ontvanger als dwaas beschouwd kan worden, of omgekeerd.
Hulp die wel geaccepteerd wordt maar door een Nederlandse belastingbetaler als ongepast zou worden ervaren als hij er van weten zou, is bijvoorbeeld: een arts om te helpen doodvonnissen te voltrekken, of een bibliotheek (uiteraard op slot en de sleutel zoek) vol vrome (fundamentalistische?) boeken in een dorp waar niemand lezen kan. Hulp waarover daarentegen door de cliënten uiterst genuanceerd wordt gedacht is bijvoorbeeld bemoeienis met sexualiteit, familieleven en geboortebeperking. Dit soort hulp wordt trouwens "reproductieve gezondheidszorg" genoemd in het jargon van de ontwikkelings-hulpverstrekkers.
Mag de nagestreefde armoedebestrijding wel ten koste van het milieu gaan? Ook dat is een lastig probleem. In Europa zijn de bossen weggehakt om ruimte te maken voor steden, industrieterreinen en autobanen. Maar waar komen we terecht als in de derde wereld de bossen ook worden weggehakt? Nog steeds zijn "Milieu en Ontwikkeling" dan ook een speerpunt van het beleid van het Nederlandse Ministerie van Ontwikkelingssamenwerking. En terecht. Red het regenwoud. Koop geen hardhout meer.
Die actie heeft overigens een belangwekkend bijeffect gehad. De vraag naar hardhout nam inderdaad af. De prijzen kwamen onder druk te staan, en conform de onontkoombare wetten van het kapitalisme zakten die prijzen zelfs. Om de inkomsten van de houthakkers op peil te houden moest er dus meer worden gehakt. Is dan ook gebeurd. Maar was weer wat minder goed voor het milieu.
Nu ja, dan maar voedselhulp en noodhulp, dat kan toch geen kwaad. Het is toch doodgewoon alleen maar menselijk om voedselhulp te geven waar een hongersnood dreigt, of woedt? Inderdaad, zo is het. Er is alleen een complicatie. Aan wie moeten de laatste boeren die nog voedsel produceren hun waren verkopen als er ook gratis voedsel uit de lucht komt vallen? De voedselnoodhulp is dan ook meestal de definitieve doodsteek voor de laatste plaatselijke voedselproducenten. Voedselhulp houdt op die manier zichzelf in stand. (Ook over dit fenomeen bestaat een uitgebreide literatuur).
Goed, met voedselhulp moeten we dus voorzichtig zijn, maar echte noodhulp aan groepen die in een uitzichtloze burgeroorlog zijn gewikkeld zoals in ex-Joegoslavië of in de hoorn van Afrika, daar kunnen we ons toch niet aan onttrekken? Inderdaad, God en gebod willen dat we daar wat aan doen. Maar wat?
Noodhulp voor bijvoorbeeld Zuid-Soedan zal via een vliegveld dat in handen is van Khartoem moeten arriveren. Khartoem vraagt uiteraard een vergoeding voor het doorlaten van die noodhulp. Volgens een noodhelper kan die vergoeding oplopen tot 90%. Moeten we wanhopige hongerende mensen die 10% onthouden?
Ook in ex-Joegoslavië is voor het toestaan van het bezorgen van noodhulp betaald. En het is ook ondenkbaar dat het anders is: waar anders hebben de betrokken bevolkingsgroepen de inkomsten vandaan gehaald om langdurig hun konflikten mee uit te vechten? Waar kwamen de harde valuta vandaan waarmee iedereen in ex-Joegoslavië de afgelopen jaren zijn overleving wist te financieren? Onder andere van heffingen en tolgelden op noodhulp. Er wordt wel gedacht dat het einde van de noodhulp ook het einde van de externe financiering van allerlei gewapende konflikten zal betekenen, en daarmee noodgedwongen tot vrede zal leiden.
Dat voedselhulp, noodhulp en hulp bij de opbouw van de economie verkeerde bijeffecten hebben, heeft nu dus geleid tot extra aandacht voor "basishulp": onderwijs, schoon water, gezondheidszorg. Daar valt, uiteraard, ook wel weer iets over te zeggen. Schoon water en gezondheidszorg leiden tot bevolkingstoename. Is dat zinvol als er geen werkgelegenheid geschapen wordt of kan worden? En als er toch werkgelegenheid wordt geschapen, is dat dan goed voor de vrouw of het milieu? Nee natuurlijk.
Onderwijs dan, dat kan toch geen kwaad. Een schoolbord, een krijtje, als dat niet heilzaam is, is niets het meer. Nu, ook aan onderwijs kleven bezwaren. Het maakt, bijvoorbeeld, de opgroeiende jeugd ongeschikt voor een grotendeels agrarisch en dorps leven, en een ander leven zit er in de derde wereld voorlopig niet in.
Er wordt bovendien wel gedacht dat de golf van fundamentalisme die Algerije nu treft deels te wijten is aan de massale invoering van massaal Arabischtalig basisonderwijs in dat land, nu ruim twintig jaar geleden. Het Arabische lager onderwijs bracht de Algerijnse jeugd in kontakt met verontachtzaamde islamitische waarden waarvan de fundamentalisten nu de toepassing willen afdwingen. De invoering van algemeen onderwijs is in Algerije niet automatisch door economische en maatschappelijke heilzame ontwikkelingen gevolgd: het is gevolgd door een golf van gefrustreerde vroomheid.
Ook in het Westen was er trouwens eerst industrialisatie, en pas daarna algemeen onderwijs. Als er geen Hogere Burgers zijn hoeft een regering geen Hogere Burgerschool of HBS te stichten. Het is niet zo dat onderwijs vooraf gaat aan welvaart: het volgt er op, en gaat er dan mee samen. Waarom zou dat in de derde wereld anders zijn?
Het ziet er naar uit of met verbijsterende toevalligheid elk medicijn dat de rijke landen aan de arme landen willen geven om ook rijk te worden, een vervelende ongewenste bijwerking heeft. Als dat het geval zou zijn, zou het mogelijk moeten zijn om met geduld en vindingrijkheid een medicijn te ontwikkelen dat geen ongewenste bijwerkingen heeft. Als chemici en biologen zulke medicijnen voor mensen kunnen ontwikkelen, waarom economen dan niet voor landen? Maar de reden waarom ontwikkelingshulp niet mogelijk is, en ook nooit mogelijk zal zijn, ligt dieper. Het zit hem niet in de toevallige ongelukkige bijwerkingen van hulp, maar in het hoofddoel van de hulp zelf.
Het hoofddoel van ontwikkelingshulp en/of -samenwerking is een einde te maken aan de onmacht om in het eigen levensonderhoud te voorzien. Dat moet bovendien bij voorkeur op een manier gebeuren die overeenstemt met onze normen en waarden. Maar het hoofddoel van de hulp, daar kan niemand om heen, is het scheppen van macht.
Macht is in de vrije wereld van het Westen op allerlei manieren verdeeld: er is een uitvoerende macht, een wetgevende macht, en een rechterlijke macht, maar daar blijft het niet bij, er is nog veel meer macht. Academische macht, militaire macht, de macht van de media, partijpolitieke macht, artistieke macht, vakbondsmacht, religieuze macht, en, uiteraard, in de handen van ondernemers, allerlei vormen van economische macht.
Zo'n veelvormige maatschappij wordt door geleerden als Ernest Gellner (overleden in 1995) civil society genoemd. De arme landen in de derde wereld voldoen niet aan de kenmerken van de civil society. Al die ontelbare machtscentra in de civil society hebben hun eigen autonomie en hun eigen vrijheden. Ze hebben alle hun eigen grotendeels zelf gemaakte regels.
In de derde wereld is dat niet zo. Neem het meest extreme geval: Irak. In Irak is er maar één vrij man, en dat is de President, de geliefde eeuwige leider van het Iraakse volk, Saddam Hoesein. De macht over alle sectoren van de gehele maatschappij berust uiteindelijk alleen bij hem. Er bestaan geen sectoren van de maatschappij waar Saddam en zijn partijelite geen eindzeggenschap over hebben. Vandaar de steeds terugkerende verhalen over de executies van handelaars, militairen, academici, journalisten, enz.
Ontwikkelingshulp zou nu macht en bevoegdheden scheppen buiten de bestaande Leider om. Dat wil de Leider niet, en omdat hij de alleenheerser is, draait hij die nieuwe macht (hoe onbetekenend ook) de nek om. Het monopolie op macht berust bij hem, en nergens anders. Succesvolle ontwikkelingshulp zou bescheiden en plaatselijk nieuwe economische kleinmacht scheppen. Dat wil de alleenheerser niet. De pogingen van de ontwikkelaars om wat dan ook te bewerkstelligen zijn dus tot mislukken gedoemd, want succes hoe gering ook zou het monopolie op macht aantasten.
In andere derde wereld landen is het soms minder extreem of minder scherp zichtbaar, maar niet wezenlijk anders. Ontwikkelingshulp komt macht scheppen op plekken waar geen macht was. Ontwikkelingshulp schept een stereo-effect in een mono-maatschapij. Dat vindt uiteraard geen genade in de ogen van de bestaande machthebbers. De bestaande machthebbers werken de activiteiten van de ontwikkelingshulpverleners dus tegen.
Machthebbers in de derde wereld zijn wel tot het veinzen van medewerking te bewegen als er voor hen persoonlijk een redelijk voordeel aan zit. Iedereen overal is altijd bereid mee te werken aan wat hem persoonlijk voordeel biedt, zeker als er niemand door wordt geschaad. Er circuleren dan ook talloze verhalen over ontwikkelingswerkers die ministers en topambtenaren omkopen om dezen zo ver te krijgen dat ze bereid zijn een aanvraag voor een project bij een "donorland" in te dienen of te meeondertekenen. Die aanvraag is dan ook nog meestal aan een bureau in Den Haag of Washington inelkaar gezet.
Het is een veelvuldig voorkomende praktijk dat Westerse ambtenaren met alle mogelijke middelen functionarissen in de derde wereld voor ontwikkelingssamen-werkingsprojecten proberen te interesseren. Outsiders worden er steeds weer door geschokt als ze er van horen, maar het gaat voortdurend om hetzelfde. "Nederlands smeergeld in Kenya", kopt de Zwolse Courant van 31 juli. "Zakken vullen met ontwikkelingsgeld", meldt het Leidsch Dagblad van 3 augustus.
Het Zwitsers bankbedrijf vaart er wel bij. Maar wanneer de charmante ambtenaren die zich met deze zaken bezig houden niet hun toevlucht zouden nemen tot zulke methoden, dan zouden de voor de ontwikkeling van de derde wereld bestemde belastingpenningen grotendeels onbesteed blijven. En budgetten moeten op, dat is bekend in alle landen van de wereld.
Het is uiteraard de vraag of Nederlands belastinggeld dat op een Zwitserse bankrekening van een minipotentaat uit de derde wereld wordt gezet, besteed is op een manier die de wetgever toen hij de belasting oplegde voor ogen had.
Hebben de uitgaven bedoeld voor ontwikkelingshulp dan helemaal geen effect? Legt Official Development Aid, "ODA" in het taaltje van de ingewijden, geen enkel gewicht in de schaal? Nou, zo erg is het niet. Het is, ondanks de bescheiden omvang van de gelden, meestal net te veel om geen kwaad te doen.
Wel is het zo dat Birma en het Nicaragua van de Sandinisten wegens politiek stout geweest enige tijd geen ODA hebben gekregen maar desalniettemin meer groei enz. wisten te boeken dan een lievelingsland van de donoren als Bangladesh in dezelfde periode. Ook is het zo dat volgens een enkele consultant er een verband bestaat tussen de hoeveelheid hulp en de hoeveelheid vluchtelingen die een regio produceert. Immers, hoe meer hulp (en dus wegen, havens en vliegvelden) hoe makkelijker het wordt de weg naar de vrije wereld te vinden.
Bestaan er eigenlijk wel activiteiten of gebeurtenissen in de derde wereld waar ODA niet aan zou willen sleutelen? Die naar het eenstemmige gevoelen van de ODA-experts buiten het bereik van de ODA vallen? Zijn er menselijke activiteiten denkbaar die niet "ontwikkelingsrelevant" zijn? Zo nee, dan is een minister van ontwikkelingssamenwerking niet alleen maar gewoon de de minister van ontwikkelingssamenwerking, maar dan is hij eigenlijk de Minister van Alles. De huidige Minister van Alles is de kwaadste niet: hij gaat meer basishulp verstrekken.