Met aandacht voor samenhang
Home 
Publicaties Impressies Andere bronnen Actueel Contact
 
Impressies
In beelden
Fotocollecties
Figuratief
In woorden
Poëzie
Dagboeken
Proza
Humor
Yup & Soos
? & !
Grappen

Schuldgevoel als obstakel

Irene Mol

Als klein kind was ik me er totaal niet van bewust dat ik me in een, laten we zeggen, bevoorrechte positie bevond. Maar toen ik in de lagere schooltijd bij vriendinnetjes thuiskwam, zag ik dat zij heel anders leefden. Ze woonden in kleine huizen en hadden bijvoorbeeld geen centrale verwarming, maar een kachel in de kamer. Naarmate ik ouder werd, begon het heel langzaam tot me door te dringen dat mensen mij soms beoordeelden naar mijn afkomst. Dat was voor mij onbegrijpelijk. Status was nooit belangrijk voor me geweest. Door die ontdekking begon ik steeds meer last te krijgen van het feit dat ik van de "betere" klasse afkomstig was. Ik kreeg het gevoel dat ik me moest waarmaken door vooral heel gewoon te zijn. Ik ging niet studeren, maar als zestienjarige verliet ik het ouderlijk huis. Ik stortte me met volle overgave op alles wat zich aandiende om mijn eigen weg te vinden. Maar toch had ik het gevoel dat ik iets helemaal fout deed. Ik dacht dat ik niet genoeg voor anderen deed en dat ik niet in staat was echt solidair te zijn. Ik ging steeds harder werken en als kleine zelfstandige verdiende ik net genoeg om van rond te komen. Maar in mijn beleving leidde ik een luxe leven en een verstikkend schuldgevoel drong zich aan mij op. Ik worstelde intens met de vraag hoe ik het ooit goed kon maken tegenover anderen die het slechter hadden dan ik. Ik zag mezelf op materieel gebied niet meer in reeële verhouding tot de ander. Ook al leefde ik sober, als ik maar het kleinste dingetje voor mezelf kocht, dan voelde ik me al te rijk. Ik kon er ook niet meer van genieten. Je zou het kunnen vergelijken met een anorexia patiënt die broodmager is, maar zichzelf nog steeds te dik vindt.

De laatste jaren is mijn houding ten opzichte van dat gevoel van onvolkomenheid wezenlijk veranderd. Na de dood van mijn moeder, die haar leven lang met een enorm schuldgevoel kampte, kreeg ik meer inzicht in datgene wat mij zo hinderde. Omdat mijn moeder enigszins bemiddeld was, zag ze het als haar plicht om zich vol overgave in te zetten voor de minderbedeelde en onderdrukte medemens. Daarbij werd zij vermoedelijk gedreven door een gevoel van schaamte. Ze was ervan overtuigd dat het mogelijk moest zijn om een eerlijkere wereld tot stand te brengen, waarin mensen gelijkwaardiger zijn. Haar belangrijkste credo was dat je het goede voorbeeld moest geven. Zij leefde relatief sober en gaf veel weg aan allerlei mensen die op haar pad kwamen. Maar de sterke motivatie om te helpen, dreef haar te vaak tot beslissingen die naar mijn idee ondoordacht en overhaast waren. De ontvangers waren natuurlijk zeer dankbaar voor haar steun. Wat mijn moeder echter niet inzag, was dat haar inzet niet hoefde te betekenen dat de relatie tussen haar en degene die ze hielp, gelijkwaardig werd. Dit gebeurt zeker niet als je ervan uitgaat dat je alleen door de materiële verschillen te verkleinen het wederzijds begrip vergroot. Integendeel, zij bleef in hun ogen de welgestelde dame, terwijl de ontvangers zichzelf vaak als slachtoffers van ongelijkheid bleven zien. Dit leidde er herhaaldelijk toe dat mensen misbruik van haar gingen maken. Ze was hierdoor zeer teleurgesteld, maar ze kon geen nee zeggen en bleef toch mensen helpen. En omdat ze volgens haar ideaal de christelijke naastenliefde in de praktijk wilde brengen, wilde ze absoluut niets terug verwachten. Het enige waarop ze hoopte was, dat degenen, die ze geholpen had haar bedoelingen begrepen of nog beter haar voorbeeld zouden volgen door hun verantwoordelijkheden te nemen. Door haar ervaringen van zo dichtbij te hebben meebeleefd, ben ik ervan doordrongen geraakt dat het een utopie is om te denken dat er gemakkelijk een brug geslagen kan worden tussen de verschillende lagen in de bevolking. Frustraties en wederzijds onbegrip zijn nog steeds aan de orde van de dag. Klassenstrijd is helaas van alle tijden, zelfs ook in onze huidige welvaart.

In Brazilië heb ik ten slotte aan den lijve ondervonden hoe schuldgevoel het verlangen om mensen te helpen in de weg kan staan. Ik kwam in aanraking met de problemen van dat uitgestrekte land en besloot de uitdaging aan te nemen: ik ging me richten op het steunen van ontwikkelingsprojecten. Ik zag het als mijn taak om geld op de juiste plaats te brengen. Nu kreeg ik de kans om echt iets goeds te doen met mijn leven. Van de ervaringen van mijn moeder had ik veel geleerd. Ik wilde heel voorzichtig beginnen en vond het van het grootste belang om een goede relatie op te bouwen met de mensen waarmee ik samenwerkte.

Ik stortte me op het bestuderen van de vele specifieke problemen van het land, de taal en de cultuur. Ik maakte contact met Brazilianen uit alle lagen van de bevolking. Gaandeweg werd het me duidelijk dat ik me bij de "klasse", waarmee ik me, zeker als buitenlander, diende te identificeren, dikwijls niet erg thuis voelde. Ik zag mezelf niet de neo-koloniale levensstijl aannemen die in Braziliaanse gegoede milieus nog steeds als de normaalste zaak van de wereld wordt beschouwd. Daarnaast straalt de echte topklasse soms zo'n ontzettende arrogantie uit, dat je je soms nog in de tijd van de slavernij waant. Ja, bij wat men doorgaans de onderklasse noemt, voelde ik me het meest ontspannen. Daar kon ik gewoon 'zijn'. Doe maar wat, zit een beetje, drink en eet wat, het maakt niet uit hoe je eruit ziet, lekker een beetje klagen en daar weer om lachen. Het hoort allemaal bij het overleven. Maar ik bleef natuurlijk ook beseffen dat ik nu eenmaal uit een andere wereld kwam.

Door zo diep in het leven van anderen door te dringen werd de scheiding tussen een beter of slechter leven, die ik altijd zo scherp getrokken had, steeds relatiever. En uiteindelijk heb ik ontdekt dat niemand beter of wijzer wordt van mijn schuldgevoel. Het kon natuurlijk niet zo zijn dat ik persoonlijk verantwoordelijk was voor hun leven, waar ik de stempel arm en ellendig op had gedrukt. Mijn schuldgevoel vormde alleen maar een enorme barrière om anderen werkelijk te begrijpen en dus te kunnen samenwerken. Door deze ontdekking werd ik me ervan bewust dat zij ook hun vooroordelen tegenover mij hadden, die de relatie in de weg stonden. Voor velen van hen was ik per definitie de rijke westerling, die nog een schuld uit het koloniale verleden had te vereffenen. Door dit gebrek aan vertrouwen merkte ik dat ik in exact dezelfde valkuil was terechtgekomen als mijn moeder en dat van mijn schuldgevoel misbruik werd gemaakt.

In de loop der jaren, na vele bezoeken aan mensen die in zeer moeilijke omstandigheden leven, ben ik gaan inzien dat het beter is je niet te blijven fixeren op de verschillen, maar dat je op zoek moet gaan naar de overeenkomsten. De overlevingsdrang, de zorg voor kinderen, de angst voor pijn, de hoop op een goede toekomst, alle menselijke emoties kun je met elkaar delen. Dan bestaat er geen rijk of arm, zwart of blank, Nederlander of Braziliaan. Je kunt en mag elkaars achtergrond, de wortels, nooit verloochenen. Werkelijke betrokkenheid betekent dat je elkaar de ruimte geeft, waarmee ieder vanuit zijn eigen verantwoordelijkheden en vermogens kan handelen. De schuldvraag is dan niet meer aan de orde.