| Als
klein kind was ik me er totaal niet van bewust dat ik me in een,
laten we zeggen, bevoorrechte positie bevond. Maar toen ik in de
lagere schooltijd bij vriendinnetjes thuiskwam, zag ik dat zij heel
anders leefden. Ze woonden in kleine huizen en hadden bijvoorbeeld
geen centrale verwarming, maar een kachel in de kamer. Naarmate
ik ouder werd, begon het heel langzaam tot me door te dringen dat
mensen mij soms beoordeelden naar mijn afkomst. Dat was voor mij
onbegrijpelijk. Status was nooit belangrijk voor me geweest. Door
die ontdekking begon ik steeds meer last te krijgen van het feit
dat ik van de "betere" klasse afkomstig was. Ik kreeg
het gevoel dat ik me moest waarmaken door vooral heel gewoon te
zijn. Ik ging niet studeren, maar als zestienjarige verliet ik het
ouderlijk huis. Ik stortte me met volle overgave op alles wat zich
aandiende om mijn eigen weg te vinden. Maar toch had ik het gevoel
dat ik iets helemaal fout deed. Ik dacht dat ik niet genoeg voor
anderen deed en dat ik niet in staat was echt solidair te zijn.
Ik ging steeds harder werken en als kleine zelfstandige verdiende
ik net genoeg om van rond te komen. Maar in mijn beleving leidde
ik een luxe leven en een verstikkend schuldgevoel drong zich aan
mij op. Ik worstelde intens met de vraag hoe ik het ooit goed kon
maken tegenover anderen die het slechter hadden dan ik. Ik zag mezelf
op materieel gebied niet meer in reeële verhouding tot de ander.
Ook al leefde ik sober, als ik maar het kleinste dingetje voor mezelf
kocht, dan voelde ik me al te rijk. Ik kon er ook niet meer van
genieten. Je zou het kunnen vergelijken met een anorexia patiënt
die broodmager is, maar zichzelf nog steeds te dik vindt.
De
laatste jaren is mijn houding ten opzichte van dat gevoel van onvolkomenheid
wezenlijk veranderd. Na de dood van mijn moeder, die haar leven
lang met een enorm schuldgevoel kampte, kreeg ik meer inzicht in
datgene wat mij zo hinderde. Omdat mijn moeder enigszins bemiddeld
was, zag ze het als haar plicht om zich vol overgave in te zetten
voor de minderbedeelde en onderdrukte medemens. Daarbij werd zij
vermoedelijk gedreven door een gevoel van schaamte. Ze was ervan
overtuigd dat het mogelijk moest zijn om een eerlijkere wereld tot
stand te brengen, waarin mensen gelijkwaardiger zijn. Haar belangrijkste
credo was dat je het goede voorbeeld moest geven. Zij leefde relatief
sober en gaf veel weg aan allerlei mensen die op haar pad kwamen.
Maar de sterke motivatie om te helpen, dreef haar te vaak tot beslissingen
die naar mijn idee ondoordacht en overhaast waren. De ontvangers
waren natuurlijk zeer dankbaar voor haar steun. Wat mijn moeder
echter niet inzag, was dat haar inzet niet hoefde te betekenen dat
de relatie tussen haar en degene die ze hielp, gelijkwaardig werd.
Dit gebeurt zeker niet als je ervan uitgaat dat je alleen door de
materiële verschillen te verkleinen het wederzijds begrip vergroot.
Integendeel, zij bleef in hun ogen de welgestelde dame, terwijl
de ontvangers zichzelf vaak als slachtoffers van ongelijkheid bleven
zien. Dit leidde er herhaaldelijk toe dat mensen misbruik van haar
gingen maken. Ze was hierdoor zeer teleurgesteld, maar ze kon geen
nee zeggen en bleef toch mensen helpen. En omdat ze volgens haar
ideaal de christelijke naastenliefde in de praktijk wilde brengen,
wilde ze absoluut niets terug verwachten. Het enige waarop ze hoopte
was, dat degenen, die ze geholpen had haar bedoelingen begrepen
of nog beter haar voorbeeld zouden volgen door hun verantwoordelijkheden
te nemen. Door haar ervaringen van zo dichtbij te hebben meebeleefd,
ben ik ervan doordrongen geraakt dat het een utopie is om te denken
dat er gemakkelijk een brug geslagen kan worden tussen de verschillende
lagen in de bevolking. Frustraties en wederzijds onbegrip zijn nog
steeds aan de orde van de dag. Klassenstrijd is helaas van alle
tijden, zelfs ook in onze huidige welvaart.
In
Brazilië heb ik ten slotte aan den lijve ondervonden hoe schuldgevoel
het verlangen om mensen te helpen in de weg kan staan. Ik kwam in
aanraking met de problemen van dat uitgestrekte land en besloot
de uitdaging aan te nemen: ik ging me richten op het steunen van
ontwikkelingsprojecten. Ik zag het als mijn taak om geld op de juiste
plaats te brengen. Nu kreeg ik de kans om echt iets goeds te doen
met mijn leven. Van de ervaringen van mijn moeder had ik veel geleerd.
Ik wilde heel voorzichtig beginnen en vond het van het grootste
belang om een goede relatie op te bouwen met de mensen waarmee ik
samenwerkte.
Ik
stortte me op het bestuderen van de vele specifieke problemen van
het land, de taal en de cultuur. Ik maakte contact met Brazilianen
uit alle lagen van de bevolking. Gaandeweg werd het me duidelijk
dat ik me bij de "klasse", waarmee ik me, zeker als buitenlander,
diende te identificeren, dikwijls niet erg thuis voelde. Ik zag
mezelf niet de neo-koloniale levensstijl aannemen die in Braziliaanse
gegoede milieus nog steeds als de normaalste zaak van de wereld
wordt beschouwd. Daarnaast straalt de echte topklasse soms zo'n
ontzettende arrogantie uit, dat je je soms nog in de tijd van de
slavernij waant. Ja, bij wat men doorgaans de onderklasse noemt,
voelde ik me het meest ontspannen. Daar kon ik gewoon 'zijn'. Doe
maar wat, zit een beetje, drink en eet wat, het maakt niet uit hoe
je eruit ziet, lekker een beetje klagen en daar weer om lachen.
Het hoort allemaal bij het overleven. Maar ik bleef natuurlijk ook
beseffen dat ik nu eenmaal uit een andere wereld kwam.
Door
zo diep in het leven van anderen door te dringen werd de scheiding
tussen een beter of slechter leven, die ik altijd zo scherp getrokken
had, steeds relatiever. En uiteindelijk heb ik ontdekt dat niemand
beter of wijzer wordt van mijn schuldgevoel. Het kon natuurlijk
niet zo zijn dat ik persoonlijk verantwoordelijk was voor hun leven,
waar ik de stempel arm en ellendig op had gedrukt. Mijn schuldgevoel
vormde alleen maar een enorme barrière om anderen werkelijk
te begrijpen en dus te kunnen samenwerken. Door deze ontdekking
werd ik me ervan bewust dat zij ook hun vooroordelen tegenover mij
hadden, die de relatie in de weg stonden. Voor velen van hen was
ik per definitie de rijke westerling, die nog een schuld uit het
koloniale verleden had te vereffenen. Door dit gebrek aan vertrouwen
merkte ik dat ik in exact dezelfde valkuil was terechtgekomen als
mijn moeder en dat van mijn schuldgevoel misbruik werd gemaakt.
In
de loop der jaren, na vele bezoeken aan mensen die in zeer moeilijke
omstandigheden leven, ben ik gaan inzien dat het beter is je niet
te blijven fixeren op de verschillen, maar dat je op zoek moet gaan
naar de overeenkomsten. De overlevingsdrang, de zorg voor kinderen,
de angst voor pijn, de hoop op een goede toekomst, alle menselijke
emoties kun je met elkaar delen. Dan bestaat er geen rijk of arm,
zwart of blank, Nederlander of Braziliaan. Je kunt en mag elkaars
achtergrond, de wortels, nooit verloochenen. Werkelijke betrokkenheid
betekent dat je elkaar de ruimte geeft, waarmee ieder vanuit zijn
eigen verantwoordelijkheden en vermogens kan handelen. De schuldvraag
is dan niet meer aan de orde.
|