Met aandacht voor samenhang
Home 
Publicaties Impressies Andere bronnen Actueel Contact
 
Impressies
In beelden
Fotocollecties
Figuratief
In woorden
Poëzie
Dagboeken
Proza
Humor
Yup & Soos
? & !
Grappen

Eerste reis door Brazilië

Stasio Komar

Begin 1996 kwam ik voor het eerst in Brazilië. Ik wist toen nog weinig van het land en sprak maar amper dertig woorden Portugees.  Mijn bezoek beperkte zich toen alleen tot Rio de Janeiro en omgeving. Hetzelfde jaar kwam ik er weer, ditmaal met een opdracht. Ik zou contacten leggen met enkele Braziliaanse organisaties voor straatkinderen. Terug in Nederland, verdiepte ik me in alles wat te maken had met ontwikkeling en de problemen daar omheen. Ik ontdekte dat er nog oneindig veel meer bestond dan Rio . Ook verdiepte ik me in de taal.

In het jaar daarop maakte ik met mijn partner een reis door het oosten van Brazilië. Het doel was nu het zoeken van projecten en organisaties die dezelfde doelen hadden als wij ons in onze eigen opdracht hadden voorgesteld. Dat was een merkwaardige ervaring die niet in een paar woorden te vertellen is. Daarom deze selectie van passages uit mijn dagboek dat ik onderweg bijhield. Ik wil graag duidelijk maken hoe spannend en tegelijk onzeker het is om een dergelijk onderzoek uit te voeren. Zeker als je nooit iets met ontwikkelingswerk te maken hebt gehad. En ook als je een vreemdeling bent en heel erg je best doet om te communiceren met mensen die zelf geen andere taal spreken dan Portugees. En die niet begrijpen wat het is om te reizen in een totaal vreemd land onder niet al te gemakkelijke omstandigheden. Maar ook wil ik proberen om schetsen te geven van de schoonheid van het landschap, de toevallige ontmoetingen, de negatieve ervaringen. Kortom alles wat een dagboek maakt tot een onofficiële beschrijving. 

Rio, woensdag

Ongeveer een uur na de aankomst op vliegveld Galeão , halverwege de avond, kwamen we aan in ons hotelletje. We kregen een kamer vlak boven de straat. Beetje onveilig gevoel met die kapotte raampjes en de kakkerlakken. Maar vanochtend konden we al verhuizen naar een redelijk schone kamer op de derde verdieping, met een beter uitzicht. Ik voelde me al bijna meteen weer thuis in deze stad. Het is nu de derde keer dat ik hier ben. Anders dan de eerste keer begin je dingen te herkennen. Indrukken die heel direct je meest primitieve waarneming aanspreken. En waarmee je eerder vertrouwd bent dan bijvoorbeeld met routine-achtige formaliteiten bij douane of hotelbalie. Geluiden, geuren, woorden (maar dan puur als klank, nog zonder betekenis), kleuren, flarden muziek, kortom impulsen zonder omweg. Ook de warmte kwam me alweer bekend voor. Ditmaal niet hinderlijk, bijna comfortabel. Dat kwam waarschijnlijk omdat er, ondanks de zomerperiode een frisse wind uit het zuiden waaide. (Hier is alles omgekeerd: het is nog zomer in maart en koufronten komen niet zoals bij ons uit noorden of oosten, maar uit Argentinië, zuidwaarts). De airco op de kamer was niet echt nodig. Hij was trouwens, net als vorige keer, kapot en hing als een stofnest in de raamopening.

In tegenstelling tot de eerste keren, overheerst wel nervositeit over het welslagen van onze missie. Die begint immers serieuzere vormen aan te nemen. Ik weet nog veel te weinig. Wat staat ons te wachten? Er moeten nog heel wat plaatsen bezocht en contacten gelegd worden. We gaan een lange reis tegemoet. En het inwinnen van informatie, die ik van de thuisbasis uit niet kon vinden, moet nog vooraf in Rio beginnen. Morgen aan de slag.

 

Rio , donderdag

Een goede start. Drie organisaties bezocht en intensieve gesprekken gevoerd. Eén organisatie maakte al meteen grote indruk. Niet wat betreft hun inzet of efficiëntie, maar vooral om de inhoud van hun verhaal en hun visie. Ze bieden steun aan projecten overal in het land en verbinden educatieve en inkomensvormende projecten met elkaar. Ik hoop dat ze ons wat verder kunnen helpen met het geven van concretere informatie over het soort activiteiten die wij zoeken. Die informatie was vandaag nog niet beschikbaar. Maar ze is onontbeerlijk. In Nederland lukte het me al nauwelijks om inzicht te krijgen in Braziliaanse organisaties en vooral projecten op het platteland, een van de voornaamste doelen van onze reis. Die informatie kreeg ik ook niet van Nederlandse NGO's , die op een enkele uitzondering na, tamelijk geheimzinnig deden over hun eigen projecten. Begrijpelijk misschien. Iedereen zijn eigen toko . Mogelijk komt het ook omdat er gewoon veel minder projecten buiten de steden gesteund worden. Het enige wat ik op die eerdere zoektochten te weten kwam was het feit, dat een paar grote Nederlandse organisaties vooral logistieke steun geven aan een enkele grote partner-organisaties in Brazilië. Nu moeten we het wiel zelf uitvinden. En dat willen we eigenlijk ook. Betrokkenheid en inzicht kunnen alleen maar groter worden als je zelf ter plaatse geweest
Vandaag merkte ik weer hoe belangrijk het in Brazilië is om mensen direct te spreken als je dingen te weten wilt komen. Per correspondentie of per telefoon zijn zelfs objectieve zaken als een eenvoudig adressenbestand blijkbaar niet goed over te brengen. Op de een of andere manier is er op afstand minder vertrouwen om ingewikkelde vragen over achtergronden van een organisatie te beantwoorden. En ik kreeg de indruk dat men vaak domweg geen antwoord weet als het om concrete data gaat. Ons spoor lijkt een onzichtbaar spoor. Bovendien moest ik tijdens eerdere contacten telkens begrijpelijk maken wat wij precies zoeken. Met name zoeken we projecten die zich specifiek bevinden in gemeenschappen die proberen binnen de agrarische sector te overleven. Met aandacht voor milieu-aspecten , geïntegreerd in het onderwijs en de productie. Gek genoeg schijnen de hoofdkantoren van organisaties met hetzelfde doel zich bij voorkeur in de grote steden te bevinden.
In de ontmoetingen van vandaag merkte ik dat mijn Portugees al een heel stuk beter is dan een half jaar geleden. Maar ik moest alle concentratie aanspreken om de antwoorden te verstaan, vooral als er dialect werd gesproken. Gelukkig waren we met z'n tweeën. En als het over inhoudelijke zaken gaat, blijken de Brazilianen heel uitvoerig. Dan is er een vast thema en dat valt goed te volgen. Het viel me wel op dat ook veel opgeleide mensen hier geen vreemde taal spreken. Maar de welwillendheid van de gesprekspartners en hun interesse in onze vragen en bedoelingen maakte veel goed. Met een tevreden gevoel (ook over het reizen door de stad met bussen i.p.v. met budget-verslindende taxi's) kwamen we vanavond laat terug in het hotel.bent.

Rio, vrijdag

In de ochtend eerst een aantal telefoontjes. Dat lukte maar moeilijk door de abominabele verbinding die steeds wegviel of gewoonweg afgebroken werd. Dit is een oud hotel met ergens in een rommelig hok achter de receptie een krakkemikkig paneel dat voor centrale moet doorgaan. Het paneel wordt bediend door wie toevallig in de buurt is. En als er niemand in de buurt is, moet je wachten. En als je eindelijk iemand te pakken hebt, breekt de verbinding af. Tijdrovend maar toch nog net op tijd weer gelukt. Toen de lange rit naar het centrum met een buschauffeur die zijn rijbewijs gehaald lijkt te hebben op een computer met Formule 1 - spelletjes.

's Middags weer lange en boeiende ontmoetingen. We kregen van een van de organisaties een (nog wat vage) lijst met interessante gegevens van actieve gemeenschappen ver in het binnenland. Verder dompelden we ons, tussen de bezoeken door, onder in het voorthobbelende tropische leven van de stad. Rio maakt, ondanks de drukte, het vuil en de veelvuldige armoede, niet zo'n tragische indruk. Het is een stad waar alles zonder ophouden door lijkt te gaan en waar ongelofelijke rijkdom en schrijnende ellende als vanzelfsprekend dicht naast elkaar bestaan en geruisloos in elkaar overgaan. Maar we weten wel beter van de vorige keer toen we in de onafzienbare favelas (krottenwijken) zijn geweest. Toen hadden we een ander doel: de straatkinderen. Nu willen we naar de bron van het probleem. En die ligt niet hier.

Rio, zaterdag

Nu, een paar dagen na onze aankomst, begint eindelijk een goed gevoel de overhand te krijgen. Het allereerste begin van onze zoektocht is gemaakt. Boven verwachting zelfs. Er is veel motivatie bij de gesprekspartners om iets aan de gigantische problemen van dit grote land te doen. Alleen concrete gegevens blijven nog uit. Vandaag hebben we eindelijk wat rondgekeken in de buurt en zelfs de familie in Jacarépagua opgezocht. Het is wat minder warm nu de avond valt. Het heeft zelfs even geregend. Een zware stortbui die even snel ophield als hij begon. In tegenstelling tot Nederland lijkt alles hier intensiever. Veel gezien en gehoord deze dagen. Al na zo korte tijd gepraat met zo'n groot aantal onbekenden die me bekender voorkomen dan de schijnbare eenheid die "ik" heet. Zelfs het Portugees lijkt met de dag beter te gaan. Ik heb een systeem uitgeprobeerd, dat ik ooit bij mijn eerste bezoeken aan Frankrijk (na jaren alleen maar Franse grammatica en dictées op school en geen conversatie) ontdekte. Je verbindt gewoon de woorden die je niet begrijpt met de woorden, zinnen, gebaren, bedoelingen, die je wel kent.

Niet meer vragen waar dit toe leidt. Niet meer van tevoren invullen, want dat werkt tegen je. Een beetje rekenen op de " zachtheidsfactor " van de Brazilianen, behalve in het moordende verkeer, waar een voetganger niet telt. Maar ik weet nog lang niet alles. Gevaar zodra je in definitieve oplossingen denkt. En in afgebakende problemen. Overgave. Opgeven. Meegeven. Alleen weerstand bieden als het echt nodig is. Luisteren is ook praten.

Rio , maandag

Weer met de bus naar het " Centro ". Gezocht naar adressen die niet meer bleken te bestaan. Uiteindelijk binnengestapt bij een instituut dat onderzoek doet naar onderwijs en vorming van lokale basisgemeenschappen m.b.t. kleinschalige productie. Daar kregen we een paar zeer uitgebreide colleges van enkele medewerkers. Ze legden ons voornamelijk uit hoe hun organisatie werkte. Maar ook zij konden ons geen concrete adressen geven van projecten. Het gezelschap bestond uit een jonge vrouw, die het meeste praatte, een wat oudere man, die af en toe bijviel en ons alsmaar van top tot teen bekeek en tenslotte een dikke vrouw van middelbare leeftijd, die ons alsmaar bestookte met informatie over favela-projecten in Rio . Ik deed mijn best om uit te leggen dat we al lang contacten gelegd hadden in Rio en dat we nu een ander doel hadden. Maar ze liet ons niet gaan voordat we beloofd hadden om ons te verdiepen in haar informatie. Aangezien we nog een afspraak hadden om 16.00 uur begon de tijd erg krap te worden. En elke keer als we op het punt stonden om afscheid te nemen kwam er een nog een uitleg over een ander project. Toen we eindelijk weer op straat stonden moesten we rennen om op tijd op de volgende afspraak te zijn.

Een lang gesprek met de directrice van de organisatie van de eerste dag, die onze speciale interesse had gewekt. Ze was een druk bezette vrouw. Pas na veel overleg met haar medewerkers hadden we haar eindelijk te pakken kunnen krijgen. Zij wist veel van de situatie op het platteland omdat ze veel door Brazilië reisde. En ze nam alle tijd voor ons. Maar aan adressen van kleinschalige projecten kon ze ons nog niet helpen. Er was iets fout met het computersysteem. We zouden op de hoogte gehouden worden. Wel spraken we af dat haar organisatie als tussenpersoon zou fungeren bij het mede-beheren van onze eventuele hulp in de toekomst. Aan het eind van de ontmoeting volgde een zeer hartelijk en persoonlijk gesprek waarbij de directrice het halve kantoor betrok, zodat er ineens een hele kamer vol mensen om ons heen zat. En toen ze daarbij onze vraag naar de adressen voorlegde aan de anderen, kwam er ineens iemand op de proppen met een boek over Braziliaanse NGO's en hun activiteiten. Daarnaar was ik dus al een half jaar op zoek! Ik bladerde het gretig door en zag met stijgende verbazing hoeveel informatie erin stond, die precies binnen onze doelstellingen lag. Ik vroeg of ik het kon lenen. Maar ze mocht het me niet meegeven, want er was er maar een van. En het was nergens anders te krijgen dan in het verre São Paulo . Vanuit Nederland had ik al geprobeerd om het te bestellen. Maar dat werkte niet omdat je het alleen via een storting op een Braziliaanse bank kon bestellen. En die storting kon je alleen in Brazilië doen. En dan moest je een kopietje van het bewijsje opsturen naar de uitgever. Daarna zouden ze het binnen twee maanden toesturen, mits je een vast adres in Brazilië had. En zo zou het dus nog maanden duren voor ik het boek werkelijk in mijn bezit had. De moed zonk me even in de schoenen. Je kunt je nog zo voorbereiden in Nederland, het is nooit zoals je verwacht. We waren nu nog steeds aan het begin. Waarom was er, behalve dit ene boek, bijna geen gedetailleerde informatie over de enorme armoede in dit land, althans niet over wat eraan gedaan wordt? Is dit Brazilië? En de kopieermachine was ook stuk. Vooruit dan, we mochten het boek tien minuten lenen vlak voor sluitingstijd van het kantoor, om een paar bladzijden te kopiëren om de hoek. Daarna borg de betreffende medewerkster het boek weer op als een relikwie in een archiefkast. We mochten natuurlijk later in de week terugkomen om de rest van het boek te bekijken. Maar ik was nu op een punt gekomen dat ik de bladzijden er wel uit had kunnen scheuren. Absurd natuurlijk en wel heel onprofessioneel. Maar dat besefte ik later pas.

's Avonds bekeek ik de kopieën. Het bleken beschrijvingen van projecten die eigenlijk nog te ver van onze route lagen. Een gevoel van lichte paniek overviel me. 's Nachts een te korte slaap, teveel denken. En ineens werd ik overvallen door een grote onzekerheid over deze hele onderneming.

Rio , dinsdag

We waren door onze eerste Reais heen. Vóór de afspraak van vanochtend moesten we snel even wat geld wisselen. Maar dat ging niet zo vlot als we gedacht hadden. De beambte in het louche bankkantoortje pakte op zijn dooie gemak de reischeque van me aan en draaide hem om en om. Toen liep hij ermee naar achteren, kwam terug en las de tekst aan ons voor. Vervolgens pakte hij mijn paspoort aan, plofte in een stoel en begon er vragen over te stellen. Daarna begon hij heel rustig de tekst van de cheque over te schrijven en daarna nog eens in te tikken op een computertje. Tegelijk draaide hij een telefoonnummer,  begon uitgebreid te vertellen wat voor cheque hij ging wisselen en vroeg of dat in orde was. Tenslotte pakte hij mijn paspoort nog een keer en vergeleek de foto wel tien keer met mijn gezicht, alsmaar zeggende: "Dat bent u, ja, dat bent u."  Eindelijk telde hij tergend langzaam het geld in heel kleine coupures voor me uit en stond erop dat ik het natelde. Daarna gaf hij ons een hand en wenste ons heel vriendelijk een prettige dag, een prettig verblijf en een goede gezondheid. Hoe kon ik toen nog geïrriteerd zijn? Maar we waren wel te laat. Bij de organisatie was men heel begripvol over onze excuses. Ze waren zelf ook maar net binnen door de files. Deze organisatie die zich inzet voor de ontwikkeling en commercialisatie van alternatieve landbouwmethoden voor kleine boeren, bleek ineens een geweldige informatiebron over basisbewegingen en coöperaties. Zoveel nuttige informatie had ik niet verwacht.

Later op de middag een ontmoeting met een administratief medewerker van een andere organisatie over databestanden, die hij me later naar Nederland zou opsturen. Ook al had ik er dan voor deze reis niets aan, het zou later van nut kunnen zijn.

's Avonds in het hotel tot diep in de nacht zitten studeren op de nog steeds te algemene informatie en mogelijke aanknopingspunten voor nieuwe afspraken.

Rio , donderdag

Telefoneren, overleg en uitstippelen van de definitieve route. Via de gek-makende telefoon in het hotel lukte het toch nog om een paar ontmoetingen te regelen. Tussen de middag voor 't eerst even langs het strand gewandeld voor wat verkoeling. Het is sinds gisteren weer boven de 35°. 's Middags naar de afspraak om de begeerde lijst met  projecten af te halen en vooral om het NGO-boek in te zien en kopieën te maken. Daarna op zoek naar een goede boekhandel voor landkaarten en naar Localiza voor de huurauto. Ik begin nu pas echt het gevoel te krijgen dat we in deze week een goede basis hebben gelegd. En vooral dat we voor het eerst echt een klein beetje van Brazilië beginnen te begrijpen, juist door de combinatie van onmogelijkheden en bereidwilligheden. 's Avonds wat ontspannener dan anders langs de drukke straten wandelend, uitgebreid mensen, gebouwen en winkels bekijkend, en redelijk op tijd terug op onze kamer. Morgen nog wat slotgesprekken, verder de reis voorbereiden, zaterdag een laatste bezoek aan de familie en zondag op weg!

Onderweg, zondag

De rit ging naar Espírito Santo (de Staat ten Noordoosten van de staat Rio de Janeiro ). Op het heetste middaguur in een dorpje wat gedronken. Weinig eetlust, last van de warmte. Daarna verdwaald en de weg naar Campos gevraagd aan diverse mensen. Ondanks hun sterke accent kon ik hen goed verstaan. Ook al wisten sommigen me alleen maar te zeggen dat ze niets wisten. Lange prachtige rit naar Vitória , gedeeltelijk (via Anchieta ) over de kustweg.

Aankomst ca. 21.30u. in de Pousada in Vila Velha met een beetje enge receptionist, die me alsmaar strak bleef aankijken en helemaal niets zei. Tot ik hem vroeg naar de beste weg van hieruit naar het adres van een hulporganisatie. Toen begon hij ineens heel snel te praten. Die organisatie kende hij goed. Ze deden uitstekend werk. Wat wilden wij daar gaan doen? Over hulpprojecten praten? O maar dan wist hij ook nog wel een paar heel mooie projecten. Zijn tante deed van alles voor arme kinderen via een of ander fonds van een groot bedrijf. We moesten haar beslist morgen gaan bezoeken. Of anders overmorgen. Het lukte me niet om zijn enthousiasme te temperen. Hij begon zonder aanleiding over de fabriek Garoto (een van de bekendste chocolademerken in Brazilië), die hier blijkbaar in de buurt lag. En over de misdaad in het land. Kortom, van alles door elkaar. Tenslotte knikten we alleen nog maar beleefd van ja. Er kwamen andere gasten binnen. Hij werd weer zakelijk en verviel van het ene op het andere moment weer in de norse stilte van het begin. Het was al laat. We gingen nog even de straat op om het leven hier te voelen en wat te eten. Het was druk en er was overal muziek. In een tentje aan het strand aten we wat temidden van de plaatselijke bevolking. Hoertjes van nog geen zestien kwamen ons sigaretten vragen en wilden belangstellend weten waar we vandaan kwamen. Weer dat onverklaarbare thuisgevoel. Maar niet voor Irene. Die begon zich nu ontheemd te voelen.

Vitória , maandag

Ochtend moeilijk op gang. Irene had nauwelijks geslapen. Ze zat al vroeg triest voor zich uit te kijken toen ik wakker werd. En ze zei dat ze ineens enorm twijfelde over wat we hier nu eigenlijk deden. Ik daarentegen was alleen maar nerveus over onze opdracht die nu echt steeds meer op  "scoren" begon te lijken.

Tegen de middag naar het centrum van Vitória gereden. Afspraak met de plaatselijke afdeling van een van de organisaties uit Rio . Zij wisten veel meer over de regionale situatie dan het hoofdkantoor in Rio . We kregen een uitgebreide uitleg over hun onderzoek en projecten in de carvoarias . Dat zijn houtskoolbranderijen, die in Espírito Santo en Minas Gerais veel voorkomen. De werk- en leefomstandigheden van de arbeiders zijn er zeer slecht en er komt kinderarbeid voor.

Tijdens het overleg liep er een man binnen die zich aan ons voorstelde in het Portugees. Verrassing toen bleek dat hij Nederlander was. Hij woont in Espírito Santo en is werkzaam in een indianenproject niet ver van Vitória . Toen we op het einde van de middag terug naar onze Fiat Pallio liepen, kwamen we hem weer tegen. Hij bleek min of meer naar ons op zoek te zijn. Samen met hem in de buurt van de baai in een barraca gegeten en gepraat. We kregen een stroom van nuttige informatie over Brazilië, over de landbezettingen en over zijn werk bij de indianen. Hij zou een afspraak voor de volgende dag proberen te regelen met zijn vriendin die voor de beweging van landlozen werkte.

Terug in het hotel, even voorbereiden voor de gesprekken van de volgende dag. En als altijd uitgebreid noteren van mijn indrukken. 's Nachts belaagd door muggen.

Vitória , dinsdag>

Een zéér drukke dag. 's Ochtends een bezoek aan een organisatie die zich inzet voor het verbreiden van ecologische landbouwmethoden. Een uitgebreid gesprek gevoerd met de coördinator over diverse projecten en veel achtergrond-informatie . Goed gevoel over de manier waarop hij sprak over de fundamentele aanpak van de problemen in het land. Hier, al dichter bij het vuur, bespeuren we, meer nog dan in Rio , een enorme inzet om te vechten voor verandering.

Na de haastige lunch een geïmproviseerd bezoekje aan de Braziliaanse vriendin van de Nederlandse ontwikkelingswerker van gisteren. Ze wist veel te vertellen over de landelijke volksbeweging die strijdt voor grond voor landloze boeren. Jammer dat we zo weinig tijd hadden om verder door te praten.  We hadden al een afspraak om 's middags een project te gaan bezoeken, ver van Vitória . Doordat alle ontmoetingen nu ver waren uitgelopen, konden we pas halverwege de middag vertrekken.

Een lange rit naar een geïsoleerd project, een agro-eco-school in de buurt van Olivânia . Jammer genoeg was het al laat toen we aankwamen. In de vallende schemer werden we rondgeleid door de directeur. De lessen waren net afgelopen. Overal hingen leerlingen rond. Af en toe schudden we een hand, maakten een praatje. Korte antwoorden, verlegen lachen, neergeslagen ogen. Deze jongeren lijken zo totaal anders dan in de stad. Aan de school grensde een bos. Daar gaf onze begeleider uitleg over de " cultura agroflorestal " die als vak op de school werd onderwezen. Daarbij probeert men het herstel van het Atlantisch regenwoud te bevorderen door kinderen van boeren te motiveren om bomen te planten en die af te wisselen met landbouwgewassen. Tegelijk wordt het bos gebruikt voor schaduw en om water vast te houden voor de planten. De dorre bladeren dienen als "groene mest". Dit alles betekent een kostenbesparing en tegelijk een bijdrage aan het milieu. De jongeren nemen deze kennis weer mee naar de boerderij van hun ouders. En als de ouders het willen, brengen ze die kennis ook in praktijk. In veel gevallen lukt dat.

Tijdens de late rit terug naar Vitória bleef onze begeleider vol vuur praten over zijn vak. Zijn organisatie adviseert scholen en kleine boeren in de hele staat Espírito Santo. Het kostte me nu steeds meer moeite om me te concentreren op de vele nieuwe informatie. De hele dag al hadden we verhalen van allerlei gedreven mensen aangehoord. En nu begon het ingespannen luisteren naar het Portugees even zijn tol te eisen. Bovendien moest ik al mijn aandacht richten op de zeer slechte en vaak aardedonkere wegen. Brazilianen, vooral intellectuelen, zijn redenaars. Zodra iemand aan een uitleg begint, gaat hij of zij daar helemaal in op. En als je niet expliciet onderbreekt kan het soms echt een hele toespraak worden. Hij begon nu ook nog over de actuele en ingewikkelde politieke situatie van het land en hoe hij daarover dacht. Maar mijn aandacht was op. Mijn laatste beetje energie ook. Ver na middernacht waren we terug in ons hotel. Helemaal kapot. En sinds het middaguur niets gegeten. Daarom maar op onze kamer een smakeloze pizza uit een stalletje op de hoek. Morgen weer een lange dag.

Vitória , woensdag

Heel vroeg op. Tijdens het ontbijt, nog vroeger dan afgesproken kwam onze begeleider van gisteren in gezelschap van zijn vrouw binnen. Hij had informatie bij zich over de weg die we moesten rijden voor het bezoek aan het volgende project, richting noorden. Wij zouden daar namelijk zonder hem naar toe gaan. En het lag toch op de route naar Bahia , weliswaar met een omweg van zo'n honderd kilometer. Ik liep naar buiten om hen te verwelkomen. Het viel me op dat de vrouw me alsmaar onderzoekend aankeek. En toen we binnen waren bleef ze, ondanks het vroege uur, haar zonnebril op houden. Ineens vroeg ze hoe laat we de vorige avond thuis waren. En of wij de laptop gezien hadden, die haar man gisteren bij zich had. Wij antwoordden dat we ons niet konden herinneren dat hij een laptop bij zich had. Maar ze bleef achterdochtig naar ons kijken. Tegelijk had ze constant kleine woordenwisselingen met hem, die wij niet konden volgen. Na het ontbijt ging ze haastig weg. Hij legde nogmaals uit dat hij zeker wist dat hij de laptop gisteren op weg naar het project bij zich had. En op kantoor had hij hem ook niet kunnen vinden. We boden hem aan om de auto te doorzoeken, maar er was geen laptop te vinden. Na het inladen van de bagage reed hij voor ons uit om de weg aan te geven. Aan de rand van de stad namen we afscheid. Ik hield een onaangenaam gevoel over aan de achterdocht van die vrouw over die laptop, die hen ongetwijfeld een fortuin gekost moet hebben.

We reden verder via steeds stillere wegen. In de verte mooie, groen glooiende landschappen met af en toe een verre eenzame boerderij. Ergens tussen Ibiraeu en Colatina maakten we een stop in een klein dorpje. Er bleken voornamelijk Italiaanse afstammelingen te wonen. Boven de bar van de plaatselijke lanchonete (een kruising tussen een barretje en een snackbar waar alles te koop is) hingen zwaar geretoucheerde zwart-wit foto's van verre voorvaderen uit Europa. Een praatje met een vrachtwagenchauffeur , die ons van alles vertelde over de streek. De opvallende niet-opdringerige vriendelijke interesse van deze Braziliaan met de Italiaanse gebaren. Wat is eigenlijk een Braziliaan, vroeg ik me af. De enige oorspronkelijke Brazilianen zouden Indianen moeten zijn, maar die zijn bijna uitgeroeid of hebben zich vermengd met allerlei bevolkingsgroepen die zich in de loop der tijd in dit enorme land hebben gevestigd.

Vanaf Colatina werd het landschap en vooral de bewoning geleidelijk armoediger, minder grootschalig, minder gecultiveerd. Wel overal koffiestruiken, bananenbomen, hier en daar wat vee. Dit is de streek van de kleine familie-landbouw . Onderweg steeds weer stoffig, kapotgereden asfalt en gevaarlijke lombadas . Lombadas zijn verkeerdrempels . Ze zijn vaak gesitueerd op de meest onlogische plaatsen. Deze snelheidsvertragers die als hoge en bij voorkeur niet aangekondigde bobbels in elk dorp, gehucht of nederzetting of zelfs in het midden van niets dwars over de weg liggen, zijn inmiddels verboden. Maar ze liggen er nog steeds. Samen met de kuilen in de weg stelden ze de banden, schokbrekers en de bodem van ons kleine huurautootje aardig op de proef. Tijdens onze vorige reis moest ik een keer zo hard remmen voor zo'n lombada , vlak na een bocht, dat een auto die achter me zat in volle vaart bovenop me reed. De vele uren vertraging die ons dat had opgeleverd wilde ik dit keer vermijden. En dus reed ik voorzichtig zodra ik een paar huizen zag. Lombada's zijn namelijk een vorm van sociale voorziening. Overal waar de kans is dat er zelfs maar een geit oversteekt, kom je ze tegen. Tijdens verkiezingen doen sommige kandidaten er hun voordeel mee: Jij stemt op mij en ik leg bij jouw krot een bonk asfalt die we dan lombada noemen. Terwijl de weg onbegaanbaar blijft. Dit is ook Brazilië.

In São Gabriel da Palha , een van de langgerekte dorpen, waar het leven en de bewoning zich voornamelijk langs de weg afspelen, vroegen we aan verschillende mensen de weg. De landkaart bleek hier nutteloos, de tekening van onze begeleider van vanochtend bleek onvolledig. Wegen klopten niet of stonden gewoon niet meer aangegeven. Steeds vaker verbaasde gezichten als we de weg vroegen. Wat doen die vreemdelingen hier en waarom willen ze zo nodig een landbouwschool in de wildernis bezoeken?

Een man van eind zestig met een grote hoed op, wist in ieder geval waar we de weg af moesten om op de juiste toegangsweg te komen die ongetwijfeld naar de juiste weg zou leiden. Hij bleek een Pool te zijn, in de vijftiger jaren naar hier geëmigreerd. We wisselden wat Poolse woorden. Hij was ontroerd toen ik over mijn vader vertelde, hield niet op me de hand te schudden. Hij nodigde ons zelfs uit om vanmiddag nog langs te komen. Maar we hadden geen tijd. Voor het donker wilden we terug in de bewoonde wereld zijn. We moesten nog helemaal naar São Mateus. De weg was nu alleen nog maar een zandspoor vol diepe kuilen en lange kloven, waarin we regelmatig weggleden en neerploften. De Fiat kreunde, de motor loeide alsmaar in de eerste versnelling, de bodem schuurde en botste tegen scherp uitstekende rotsblokken, onze hoofden raakten steeds weer het plafond.

Na anderhalf uur stapvoets rijden, bereikten we eindelijk het schooltje. Niemand te zien. We liepen rond. Zouden ze onze afspraak vergeten zijn? De stilte van de middag, geritsel van palmen, vogelgeluiden, insectenbewegingen. Uit de schaduw van het witte gebouwtje kwam ineens aarzelend een magere man met een rieten hoedje. Schoorvoetend gevolgd door een kleine dikkerd met een drankgezicht en een meisje van een jaar of twintig met een scheel oog. We stelden ons voor. Ze bleven verlegen. Ik stak maar van wal met wat algemene vragen. Ze antwoordden rustig, toonloos, droevig bijna. De mannen verspreidden een sterke drankgeur, het meisje wekte meer vertrouwen. Maar het bleek allemaal wel mee te vallen.

Na een kwartiertje ontspande de sfeer. We kregen een uitgebreide rondleiding en uitleg over het schooltje en over de alternatieve landbouwmethoden die hier onderricht worden. Urenlang volgden we het drietal door de velden, de moestuin, de koffiestruiken, de stallen. Geduldig legden ze ons uit hoe de kinderen van arme boeren hier kans krijgen op een betere toekomst en hoe ze hier tegelijk een poging doen om het geleidelijk verwoeste eco-systeem van Brazilië te herstellen. Deze trieste helden verdienen veel meer aandacht, dacht ik. Die drank, die rotte tanden, dat bezwete hemd, dat schele oog, allemaal tekenen van de armoede van deze vergeten onderwijzers.

De zon daalde nu snel. We moesten gaan voor we niets meer van het onmogelijke zandspoor konden zien. Een beetje aangestoken door hun teruggekeerde gêne en de desolate stilte namen we afscheid. We beloofden zo gauw mogelijk van ons te laten horen.

Weer dezelfde barbaarse rit tussen de rotsige bergtoppen, de glooiende hellingen, de prachtige groene natuur. Maar alle aandacht ging uit naar de weg, die regelmatig onder het vuurrode opspattende stof verdween.

Eindelijk weer in São Gabriel. De schemer viel snel in. Er volgde een urenlange rit over asfalt van hevig wisselende kwaliteit. De vermoeidheid begon nu zwaar te wegen. De slecht geslapen muggennachten, de hitte en het gebrek aan tijd om normaal te eten en om een dag helemaal niets te denken. Toch bleven we optimistisch, niet in het minst door de moed van de mensen die we daarstraks waren tegengekomen en die in dit landschap zonder einde leven en werken. De sterren stonden diep, scherp en vast boven ons. Langs de donkere wegen, hier en daar kleine huisjes waarin een fonkelend lichtje of een klein vuurtje.

Laat in de avond aankomst in São Mateus.

Een kleine pousada vlakbij zee, een schat van een waardin met ook al die droeve glimlach.

Een eigenaar die gebrekkig Engels sprak.

Een eenvoudige kamer met alleen een bed en een muf laken.

Een diepe slaap waaruit ik ontwaakte met een klagende Irene en een dikke kakkerlak, die van achter het gebarsten spiegeltje op mijn blote buik viel.

São Mateus, donderdag

Kapotte telefooncellen zijn ook hier een epidemie. Eindelijk lukte het me om de man te bereiken met wie we een afspraak hadden. Derli , de medewerker van de CPT , een oecumenische organisatie die vooral de strijd van de landlozen steunt. Hij zou ons vandaag de carvoarias laten zien, de houtskoolovens en de slavenarbeid die mensen er nog verrichten. In Vitória had men ons verteld dat hij als geestelijke uitgetreden was om zijn idealen beter te kunnen verwezenlijken.

We spraken af op het busStasion, want dat kent iedereen. Hoe we elkaar zouden herkennen? Blanke Hollanders in een grijze Fiat vol modderspatten. Hoe we ons voorstelden dat hij eruit zag? Een ex-priester moet een vijftiger zijn, een magere man met een bril en een verwereldlijkte zending.

Even later reden we langs het Stasion, ingespannen uitkijkend naar iemand die tussen de menigte aan dat signalement beantwoordde. Vrijwel meteen maakte zich uit de drukte van de ochtend een jonge man los die vragend de auto binnenkeek. Ja, we waren het, hij was het. Geen gerimpeld gezicht, geen spoor van heiligheid, gewoon een veertiger met spijkerbroek en wit t-shirt met CPT opdruk.

Hij wilde nog even langs kantoor om ons daar voor te stellen. Handen schudden van medewerkers. Mensen met een missie, die niet meer in boeken staat maar in de vanzelfsprekendheid van hun werk. Ook hier werd weinig gesproken, men had het veel te druk. Voor gezelligheid of nieuwsgierigheid was hier geen plaats. Derli legde ons later uit dat de CPT hier in een crisis verkeerde vanwege de aangekondigde bezuinigingen. En dat terwijl ze in het noorden van Espírito Santo tientallen landbezettingen begeleiden.

Al gauw reden we São Mateus weer uit. Na nog geen twintig kilometer asfalt begon onze volgende tocht door de wildernis. Zandwegen vol diepe kuilen, die vol water stonden van de regen van die nacht. Opnieuw ploegde de auto zich met veel moeite over sporen van soms maar een paar centimeter breed. Herhaaldelijk sloegen de wielen in onverwachte spleten en moest ik zoekend bijsturen om niet van de weg af de diepte in te slippen.

Na anderhalf uur rijden zagen we plotseling een dikke rookkolom die opsteeg uit de eindeloze eucalyptusbossen die hier het landschap bepalen. Om de laatste bocht werd een grauwe vlakte vol iglo-vormige ovens zichtbaar. Daartussen sjokten met roet besmeurde gestalten heen en weer met zware bundels hout op hun schouders. Slaven in de 20e eeuw die jaar in jaar uit werken in deze verstikkende atmosfeer. Zweet, as, hitte van zon en ovens en het gewicht van de grote manden met verkoold hout. We begrepen van Derli dat dit werk hier maandelijks minder oplevert dan wat de "minima" bij ons ongeveer in een halve week ontvangen. En hier werken ook kinderen en vrouwen. Hoewel de mannen het zwaarste werk doen. De arbeiders zijn zonder enig contract in dienst van een baas die weer in dienst is van een grote maatschappij. En in dat bedrijf hebben Europese investeerders een belangrijke financiële stem. Hoestend leidde Derli ons langs de eindeloze rijen ovens en langs de houten huisjes aan de rand van dit "concentratiekamp". Onder een afdak lagen een paar arbeiders te slapen. Hun gezichten waren bedekt met zwart stof. De opzichter, een man in een schoon wit t-shirt en met een kop koffie in de hand, kwam op ons af en bekeek ons achterdochtig. Onze gids legde uit wie we waren, maar de man werd alleen maar stugger. We vormden een bedreiging, want het was niet in zijn belang dat de arbeiders geholpen werden. Hij wilde alleen maar dat er voor zo weinig mogelijk geld zoveel mogelijk produceerd werd. Wij bleven vriendelijk, maar de opzichter wendde zijn gezicht af en maakte een arbeider wakker.

In dit gebied, groter dan Nederland, liggen vele honderden van dit soort open fabrieken waar houtskool wordt geproduceerd voor de staalindustrie en de duizenden restaurants in Rio , São Paulo , Belo Horizonte . We reden verder over de zandwegen en bezochten nog een paar van deze strafkolonies.

Altijd hetzelfde beeld: desolate vlaktes waar mensen leven en werken, mooie mensen die niet mooi meer kunnen zijn, omdat ze hier gevangen zijn, zonder de hoop om ooit een stap verder te komen. En als hun longen het begeven is er geen dokter en worden ze begraven in hun eigen as.

São Mateus , vrijdag

Vandaag weer een hele dag met Derli onderweg. Ditmaal in een ander gedeelte van de streek. Hij wees ons al meteen op de eerste landbezettingen langs de weg. Kleine stukken land, waar tientallen tot honderden gezinnen leven. Land, al of niet illegaal veroverd op grootgrondbezit, een agro-industrie die mensen van huurboerderijen verdrijft en de vruchtbare bodem uitput met chemische bestrijders en kunstmatige oogstvermeerderaars. En als het land, het water en de lucht verpest zijn, laten ze het vaak achter als speculatie-object . Dan komen degenen die hun recht op grond opeisen. Gelukkig maken die van dat recht in een toenemend aantal gevallen gebruik. Maar na hoeveel strijd en met hoeveel slachtoffers?

Eén van de acampamentos (nieuwe bezettingen die nog illegaal zijn) die we met Derli bezochten gaf er een pijnlijk beeld van. Honderden mensen, mannen, vrouwen, kinderen, baby's leven hier in armzalige hutten gemaakt van kwetsbaar landbouwplastic en takken. De moed die deze gezinnen tot zo'n wanhoopsdaad voert komt voort uit bittere noodzaak. Ze hebben gewoon geen andere keus dan vele maanden, soms jaren als nomaden te leven in zo'n tentenkamp. Vaak zonder de meest elementaire voorzieningen, zoals schoon water. Er valt niets meer te zeggen als je dit gezien hebt. Een oude vrouw liet ons een foto zien van haar dochter. Een mooie jonge vrouw die zelfmoord pleegde, omdat ze, na jaren tevergeefs wachten op een stukje land, geen toekomst meer zag. We praatten met de bezetters, jonge en oude mannen en vrouwen. Ze boden ons in een gerafelde tent koffie aan. Hun hartelijkheid was ontroerend. En hun saamhorigheid. Ze zijn niet meer alleen en daaruit putten ze hoop. En zo zijn er in dit onmetelijke land vele tientallen nieuwe bezettingen, acampamentos , gesteund door o.a. de MST en de CPT , de organisatie waarvoor Derli, onze begeleider, werkt.

We bezochten ook een paar assentamentos  (gelegaliseerde landbezettingen). Deze gemeenschappen bestaan al wat langer. Afhankelijk van hun leeftijd zijn ze al in een verdere fase van ontwikkeling. Maar dan nog bleek dat veel voorzieningen ontbraken. We bezochten de huisjes van oprichters van de assentamentos , spraken met hen over hun pionierswerk, al heel wat jaren geleden. We bekeken de velden met de verschillende gewassen. Alles maakte een redelijk verzorgde, maar toch vaak armoedige indruk. We maakten lessen mee op de schooltjes, die de bewoners soms zelf hadden opgezet. De kinderen stelden ons vragen. Vaak bleek dat ze niet eens wisten wat Nederland eigenlijk was. Moeilijk om uit te leggen aan dertig zwijgende gezichtjes. Dan stelden we maar wat vragen aan hen. Uitgestoken handjes bij het afscheid, soms een knuffel, vaak enorme verlegenheid. Deze kinderen waren misschien straatkinderen geworden als hun ouders niet een nieuw leven in de assentamento waren begonnen. Waarom horen we in Nederland dan niets over deze projecten? De media staan vol van prachtige projecten in de grote steden: het einde van een proces. Dat moet veranderen, alleen al om te voorkomen dat de vlucht van het platteland eeuwig doorgaat en stadsprojecten eeuwig moeten worden gesteund. De oorzaak ligt hier. Als je gevolgen gaat bestrijden is het al veel te laat. 

We spraken met de onderwijzers over de gezondheidsproblemen van de kinderen. Het idee ontstond spontaan om iets te doen aan de verbetering van de schoolmaaltijden. Met in gedachte de landbouwschooltjes die we bezocht hadden, opperden we het idee om moestuintjes bij de schooltjes aan te leggen. Het plan werd onmiddellijk enthousiast begroet. Zo konden ze in de behoefte aan variatie in de maaltijden voor de kinderen voorzien en tegelijk levend leermateriaal als aanvulling op de abstracte boeken creëren.

Diep onder de indruk eindigden we onze projectbezoeken met een lang gesprek op het kantoor van de CPT. We kregen materiaal mee om te bestuderen. Bij het afscheid beloofden we dat we het contact zouden intensiveren. Een uitgewerkt voorstel voor de aanleg van moestuintjes op meerdere landbezettingen zou worden voorgelegd aan onze stichting.

Onderweg, zaterdag

Afscheid van de droeve waardin van de pousada " Le baron". Het begin van een lange, lange rit naar Salvador over steeds slechter wordende wegen temidden van de meest uitbundige natuur die ik ooit gezien heb. Overal langs de weg mensen op weg van de ene onzichtbare nederzetting naar de andere. Oerwoud, grote fazenda's (boerderijen), zwarte bergen, plotselinge tropische regenbuien. De zon die al het water in een paar minuten weer doet verdampen. De dorpen bestaande uit vervallen huisjes, soms ineens afgewisseld met een verrassend nieuwe constructie. Het duister valt weer veel te snel in.

Onderweg even een stop langs de donkere weg. Daarbuiten de ontelbare geluiden van de jungle die als bij toverslag opkomen zodra het licht van de zon verdwijnt. Ik kijk naar boven. De miljoenen sterren versterken mijn gevoel van nietigheid. Voor een moment voel ik me helemaal verenigd met de mensen die we ontmoet hebben en met al die onbekenden die daar in het ondoordringbare oerwoud wonen onder hetzelfde heelal. 

Laat in de avond bereiken we Ilheus . We verdwalen in langgerekte buitenwijken, waar overal mensen bij de meest onooglijke huisjes rondhangen. Het is hun leven. Wij dragen onze eigen last. Zij zijn hier thuis, samen met de anderen. Zij kennen de betrekkelijkheid van hun situatie, wij de betrekkelijkheid van onze luxe. Een Fiat en voldoende Reais om 's avonds in een al of niet schoon bed te slapen. We proberen zo zuinig mogelijk te reizen. Maar geld is papier en geld uitgeven aan een pousada is het weer in circulatie brengen van in een stukje papier gefixeerde energie. Alleen is die energie wel heel erg vreemd verdeeld. Of is er ook energie zonder geld, buiten geldsystemen? Is de zwakte van onze economie niet gelegen in haar kracht; de fictieve macht van cijfers? Wie heeft recht op wat? Allemaal zijn mensen gelijk in hun einde, niet in hun begin. Maar er zijn ook kansen die je krijgt en die sommigen onbenut laten.

Ilheus , zondag

Onze nacht in het hotelletje, dat uit maar vier kamers bestaat, was onzichtbaar omdat we uitgeput sliepen. In de ochtend maak ik een wandeling langs het vuile strand. Zwarte gieren pikken in afval, dat overal verspreid voor de houten hutten ligt. Een klein zwart jongetje met een plastic emmertje vangt garnalen in de plassen op het lava-achtige gedeelte van de kustlijn. Zodra hij me in de gaten krijgt, begint hij tegen me te praten. Hij legt tot in detail uit wat hij aan het doen is. Ik versta de helft niet, maar ik weet waar het over gaat. De kinderwereld is ook in armoede een spel. Ineens kijkt hij me ernstig aan en vraagt: "Heb jij kinderen?" "Nee", antwoord ik. "Neem je me mee, ik heb geen ouders" In plaats van nee te zeggen, lach ik maar een beetje naar hem. In de verte roept een oude vrouw ongerust naar het jongetje. Dat moet zijn oma zijn. Nog even houd ik hem gezelschap en laat hem babbelen.

Dan loop ik het lege strand weer af, kijk nog een keer om. Maar het jongetje is mij al lang vergeten. Hij zit gebogen boven zijn emmertje waarin de glasachtige garnaaltjes zwemmen. De zwarte gieren vliegen verschrikt op als ik ze nader.

Vandaag weer een paar honderd kilometer, het laatste stuk naar Salvador. Hetzelfde landschap, groen, groen en nog eens groen. Waarom is er zoveel ellende in zoveel rijkdom? Zijn mensen te lui of is hun wil verkeerd gericht? Misschien is armoede hier helemaal niet zo dramatisch en is ontwikkelingshulp te vaak een projectie van eigen angsten.

's Avonds gegeten in een Pousada op 50 kilometer van Salvador met muziek van een Braziliaanse zanger. Teveel Bahiaanse muziek met zijn eindeloze heimwee, doet wel eens verlangen naar en stevige rock en roll .

Salvador, dinsdag

Gisteren een ander onderkomen dichterbij het centrum gezocht. Kleine tegenvaller. Het is druk in Salvador. In deze Pousada kunnen we maar één nacht blijven. Voor daarna is het volgeboekt en moeten we weer verder zoeken. 's Avonds Salvador in. De tocht in een wrakkige bus met houten bankjes duurde bijna anderhalf uur. Hoe dichter we het centrum naderden hoe drukker, chaotischer en ook grimmiger de sfeer, vooral in de halfdonkere en vervallen zijstraatjes. Maar tegelijk ook het beweeglijke, energieke, zichzelf niet beschouwende leven van al die anonieme Brazilianen. Hun bereidwillige traagheid die eigenlijk beter aandacht kan worden genoemd. Die altijd opgestoken duim, dat zangerige praten dat elk ogenblik als vanzelfsprekend in zingen of swingen over kan gaan. Alleen in het verkeer kunnen mensen ook hier tijdelijk beesten worden. Maar dan nog met volop marges, want bijna elke verkeersfout wordt vergeven. Behalve het zondigen tegen de paar regels die vaststaan, zoals in een eenrichtingsstraat in de verkeerde richting rijden, hoewel dit vaak niet of niet duidelijk aangegeven staat. De uitzondering zijn stoplichten. Zolang je enigszins kunt moet je gewoon door rood rijden. De politieagent op de hoek kijkt er niet van op.

We stappen uit op het halfdonkere Praça do Sé aan de rand van de " façade-oase " van Salvador; het uit zijn as herrezen Pelourinho . Deze Portugees-koloniale wijk die door de gemeente en andere sponsors voor miljoenen perfect is opgeknapt, is zó vlekkeloos dat je je op slag niet meer in Brazilië waant, maar in een Europese of Portugese stad. Doordrongen van een Afrikaanse smaak, maar zonder leven. We wandelen rond tussen de oude kerken, de vele fel gekleurde huisjes (die we in de rest van de stad nog nauwelijks gezien hebben) de sfeervolle restaurantjes. Er is hier bijna geen mens op straat. Dit is het beeld van het Salvador uit de toeristenfolders, een perfect geregisseerd, maar vals beeld. Salvador is niet mooi. Het is een verzameling van krottenwijken, middenklasse-wijken en geïsoleerde blokken van condominiums . Daartussen veel te volle, veel te smalle wegen. Daarbuiten aan de ene kant het grote, grote groene land, waarachter de oprukkende woestijn en aan de andere kant de eindeloze zee.

Voor het eerst na ruim 1600 km vanaf Rio lukte het om geld te wisselen in een kantoortje dat tegelijk reisburo , boekwinkel, souvenirshop, barretje en vergaderruimte is. In een van de stijlvol gerestaureerde restaurantjes eten we een vegetarisch  Bahiaans gerecht. Na het restaurantje een korte wandeling. Alleen wat onwennige toeristen bevolken de wijk. We lopen terug naar het Praça do Sé. In het halfduister hier ineens opvallend veel hoeren en straatkinderen. Het loopt tegen half elf, de meeste gewone mensen zijn al naar huis. We zoeken een bus terug naar de wijk van ons hotel aan de kust. Ik vraag het aan een jonge vrouw, maar ze weet het niet en geeft de vraag door aan een oudere man. Ze stappen in de bus, waarop een naam van een bestemming die ik niet ken. We blijven staan. Er is nu geen wachtende passagier meer te bekennen.

Plotseling geluid van rennende voeten achter ons. Ineens zijn er een heleboel schaduwen van kinderen om ons heen. Een hand die in mijn achterzak graait. Ik leg snel mijn hand op het bundeltje Reais . Er komen meer kinderen, meer handen proberen in mijn zak te graaien. Ik vloek, maar het maakt geen enkele indruk. Ze zijn in de meerderheid en proberen ons in te sluiten. We lopen sneller, maar waarheen, overal donker, overal begerige armoede. Voor hen zijn wij toeristen, weten zij veel dat we hier zijn om hen te helpen? Weer die handen en die schorre stemmen die dreigen, bedelen, grommen.

En dan ineens dat jongetje, niet ouder dan negen, met een flink stuk hout, die op me afrent met een meedogenloze blik en die naar me uithaalt. Ik duik weg en begin te rennen. Irene aan de hand meesleurend. De bende kinderen achter ons aan. We zijn niets meer, dat voelen zij ook. Het is nu of nooit. Ergens stopt een bus. Het jongetje haalt naar me uit en de knuppel zwaait rakelings langs mijn hoofd. De deur van de bus gaat open, we springen naar binnen. De groep achter me deinst terug voor het T.L. licht en de aanwezigheid van "gewoon" volk. "Rijden" zeg ik tegen de chauffeur. Hij schakelt onmiddellijk. Achter me sluiten de deuren. Vuile handjes op het glas. Het enige gevoel dat ik in die kinderogen ontwaar is teleurstelling over deze mislukte overval. Ik had het kunnen weten. Trillend van schrik en woede duiken we in één van de gescheurde banken. De bus rijdt, doet er niet toe waarheen, weg, weg hier uit het vagevuur, de hel, het monster. Lachen om mezelf; wat had ik dan verwacht? Bestolen door mijn eigen doelgroep; de natuur zoekt zijn evenwicht; rijk steelt hier toch van arm, dus steelt arm van middenklasse.

In een buitenwijk stopt de bus: eindhalte. We weten niet waar we zijn. De chauffeur begrijpt niet waar we heen willen. Hij heeft zijn eigen vaste route. Salvador is veel te groot. Wachten op een aansluiting, zo dicht mogelijk in de buurt van licht en het kleine groepje wachtende mensen. Nee, ik neem geen taxi, ik wil niet vluchten. Maar ik vlucht. Naar het hotel, een fles koud water, een paar sigaretten en weer een slechte nacht; de luxe van een reiziger die nooit ophoudt met zoeken, vragen, berusten, vergeven, nauwelijks vergeten.

Salvador, woensdag

De halve ochtend op zoek naar een kaart van Salvador en nog wat onvindbare noodzaken . Geen plattegrond te vinden, nergens. Terug op de kamer een verstikkende warmte, ook hier is de airco kapot. Maar het is veel te warm. Dus vragen we of de beloofde airco toch in werking gesteld kan worden. De dikke, als een soort  piccolo geklede bediende in zijn veel te groot en afgedragen jasje bemiddelt. Hij loopt alsmaar heen en weer om onze simpele vraag aan zijn onzichtbaar blijvende baas voor te leggen. Uiteindelijk komt er dan toch een andere oude airco, die vermoedelijk uit de  kamer aan de andere kant van de gang is gesloopt. Zodat de volgende gast onze kapotte airco krijgt. Zelfs samen met een magere monteur krijgt de hevig zwetende piccolo de veel te zware bak niet op zijn plaats getild. Ik bied aan om te helpen. Ze weigeren categorisch. Ik zie de grote zweetkringen op het jasje van de piccolo. Ik dring nogmaals aan. Vol schaamte accepteren ze. Na een hoop gesjor en gedoe kunnen we de airco eindelijk aansluiten. Ook de fooi willen ze eerst niet aannemen. Duidelijk opgelucht en met de traditionele duimen heel erg omhoog verlaten de twee onze kamer.

Salvador, donderdag

Zonder kaart op zoek naar de meest onvindbare plek in een doolhof van een reeks labyrinthen. We hebben een adres, maar niemand kent de straat. Na vele malen vragen komt iemand op het idee om naar het vermelde telefoonnummer te bellen. Er is een telefooncabine in een winkeltje dat bijna helemaal leeg is en waarvan me niet duidelijk wordt wat er verkocht wordt. Alleen op de toonbank staat een doos vol met lippenstiften. De vrouw is heel behulpzaam. Ze pakt alsmaar mijn arm vast, denkt hardop na en geeft me moederlijke klopjes op mijn schouder. De zon staat recht op het winkeltje. Het verkeersgeluid is oorverdovend en ze moet schreeuwen om zich verstaanbaar te maken. Ik ben al lang blij dat zij even voor me wil bellen. Ik vrees voor een nieuwe reeks misverstanden en een nieuw labyrinth . Na het bellen tekent de vrouw een plattegrondje. We moeten ergens bij een watertoren zijn. Na een afslag "bij een restaurantje of een bank" de 3e rechts, 2e links, bij de bakker weer links of rechts en dan weer vragen. Weer die prachtige aanrakingen bij het afscheid.

Toch moeten we onderweg weer vragen aan allerlei mensen of we goed zitten. Geen van hen weet of de straat eigenlijk wel bestaat. Een oudere man, eigenaar van een videotheekje met niet meer dan dertig video's, weet meer. Volgens hem is de straat die we zoeken misschien wel deze straat. Maar die heeft dan wel twee namen en mogelijk begint hij bij de buurman. We volgen de nummers, maar die verspringen soms met 100 tegelijk. We vinden 3 huizen waar nummer 5 op staat. Nee, dit blijkt niet de straat. Verder vragen helpt weinig. Grote kuilen in de zanderige weggetjes bemoeilijken het rijden.

In een stil middenklassersstraatje , bel ik bij nr. 5 aan. Nee, volgens het jongetje dat opendoet is dit niet de goede straat. Kent hij de organisatie waarnaar we op zoek zijn misschien? Ja, dat is wel in deze straat, maar het huis heeft geen nummer. Gelukkig, we zijn tenminste in de buurt.

We kloppen aan.  Een bezwete man doet open. Nee, er is niemand meer op kantoor. En we hadden een afspraak! Niets aan te doen. "De professor", ligt onverwacht na een een hernia operatie thuis. We moeten hem maar proberen te bellen voor een nieuwe afspraak. Alle moeite voor niets.

Verder naar een volgend bezoek.

Het circus-project is gemakkelijk te vinden, want de tent staat aan de weg langs de zee. Straatkinderen die hier worden begeleid in alfabetisering, hygiëne, herstel van het contact met de familie en een opleiding tot circus-artiest . We praten met de oprichter, een zestiger met een prachtige grijze baard en lang golvend haar en een lerares. Een toevallig aanwezige journalist loopt wat rond en maakt foto's. Het lijkt wel of hij ons gesprek afluistert. Morgen zullen we terugkomen als er lessen zijn.

Salvador, vrijdag

Een paar lessen in het circus bijgewoond en met begeleiders en kinderen gepraat. Het interessante aan dit project is, dat hier zowel straatkinderen als kinderen uit de middenklasse samen les krijgen. Dat is uniek in Brazilië. Het is een heel goede manier om vooroordelen van beide kanten weg te nemen.

Tijdens een pauze komt een medewerkster haastig op ons af en laat ons een artikel zien. Het is de plaatselijke krant van vandaag. Er staat een grote kop boven "De Hollanders komen het circus redden". En dan de naam van onze stichting. Terwijl we nog niets toegezegd hadden. En zelfs niet eens een aanvraag hadden gekregen. De medewerkster verontschuldigt zich omstandig. Ze benadrukt dat dit helemaal niet de bedoeling was. De journalist, op zoek naar bladvulling, had gisteren op zijn reportage ons bezoek gewoon gebruikt. Ze vindt het duidelijk heel erg. Wij maken haar duidelijk dat we er wel om kunnen lachen. Nee, natuurlijk hoeft er geen rectificatie te komen.

Vanochtend toch telefonisch een afspraak kunnen maken met "de professor", die alweer op de been blijkt te zijn. Wat die titel "professor"betreft, in Brazilië worden mensen die iets meer geleerd hebben of die een bepaalde sociale status hebben al gauw professor of doctor genoemd zonder dat ze dat werkelijk zijn.

Die middag weer door het labyrinth naar het afgelegen kantoortje aan de rand van de stad. Opnieuw een ontmoeting met alweer zeer geëngageerde mensen. En de uitleg van een problematiek die we wel hadden vermoed, maar nog niet specifiek en zo eigen voor dit gebied. Een ruimhartige en simpele ontvangst. Hartstocht is misschien het beste woord om hun enthousiasme te beschrijven. En wat kunnen deze mensen mooi zijn zonder het te beseffen, zonder ermee te spelen, zonder die schoonheid te gebruiken.

De organisatie beheert projecten in een aantal verarmde vissersdorpen in het uiterste noordoosten van Bahia . Werkloosheid, ziektes, analfabetisme, overal hetzelfde verhaal. Maar hier weer net andere oplossingen, een andere cultuur,  een andere fase van onderontwikkeling.

"De professor" blijkt een Spanjaard te zijn die hier al tientallen jaren woont. Ooit hier begonnen in een tijdelijk uitzendings-programma , maar voorgoed gebleven. Het werk is moeilijk, de overheid doet niets, de situatie gaat achteruit, mensen trekken weg, jongeren zijn niet gemotiveerd. Salvador slokt hen op, zelfs al weten ze dat ze het misschien helemaal niet beter zullen krijgen. Hoop is niet van hier, maar van elders . Onze aanwezigheid geeft hen hoop, zeggen ze. Ze zijn dankbaar voor onze aandacht en voor het feit dat we hen, zo ver weg van alles, toch gevonden hebben. We spreken af dat zij zullen nadenken over een mogelijke invulling van projecten.

Bij het afscheid vraagt de professor plotseling hoeveel wij eigenlijk te besteden hebben voor een project. Moeilijk om te zeggen, zeker in dit stadium. Maar we noemen een voor ons haalbaar bedrag. We willen hen niet onnodig blij maken. Het kan zijn dat onze stichting niet alle bezochte projecten kan steunen. Aan het gezicht van de professor zie ik dat hij het niet veel vindt. Dat verbaast me. Bij het afscheid loopt hij duidelijk mee om te checken of onze auto een duur exemplaar is. Niemand is zo gek om van zo ver te komen met lege handen. Mijn aanvankelijke vertedering voor de gedrevenheid van de medewerkers blijft. De indringende vraag van de professor was te verwachten. Dit is niet de eerste keer, dat men over "hoeveel" begon. En ook niet de laatste.

Die avond raken we verzeild op een terras vol geuren van houtskool en vis, volksmuzikanten, bedelende kinderen en honderden mensen die bij elkaar zitten in een eenheid die niemand bedacht kan hebben, maar die toch als een gemeenschap voelt. De vrouw die ons aanspreekt heeft al een tijd aan het tafeltje tegenover ons gezeten. Ze drinkt en deint mee met de muziek van de Sertão (het zeer droge gebied in het Noordoosten van Brazilië). De band bestaande uit drie mannen (trommel, accordeon, triangel en zang), is geïnstalleerd op een podium dat niet veel groter is dan de horizontale dwarsdoorsnede van hun lichamen. Tegenover de vrouw zitten een jongen en een meisje vrij stil, behalve op de momenten dat ze elkaar een innige kus geven. De vrouw lijkt helemaal op te gaan in de muziek. Tussendoor werpt ze nieuwsgierige blikken in onze richting. Een glimlach wordt met een glimlach beantwoord. Ineens staat ze op en komt zonder iets te vragen bij ons aan tafel zitten. Praten, aanraken, flarden verstaan, lachen, bier inschenken. Vragen: waar komen jullie vandaan, hoe heet je, wat doe je hier. En nog een heleboel woorden, gebaren, gezichts - en lichaamsuitdrukkingen. Ze is de moeder van de jongen en sinds kort de schoonmoeder van het meisje. Ze heeft een barraca (barretje op het strand) vlakbij. We moeten morgen beslist langskomen. Dan zal ze ons ook voorstellen aan haar moeder, die vlakbij het vliegveld woont. En ze heeft ook nog vier broers en zussen, maar die wonen allemaal in Europa. En ze houdt van dansen en ze danst wel elke nacht als het kan zonder te slapen. Ineens trekt ze me mee naar de houten dansvloer. Ze lacht en ze swingt al gauw met heel haar glimmende zwarte lichaam. Irene danst met de zoon. Maar zijn vriendin wordt jaloers. De cachaça doet zijn werk. Ik dans met de moeder alsof ik met heel Brazilië dans. En ik voel de eenzame dronkenschap van dat stukje heelal dat zich tegen me aandrukt als een zwetende Afrikaanse moeder. Wie weet is ze wel een hoer, maar wat kan mij dat schelen. Wie weet wil ze me wel versieren, maar ik wil haar onder geen voorwaarde van zichzelf afpakken . Steeds dronkener worden we van de nacht, de andere dansers, de zeewind door alle open ramen, de zichtbare en onzichtbare krachten die vanuit de ruimte op de droge warme Braziliaanse aardkorst neerkletterden. Midden in de nacht nemen we afscheid, beloven vaag dat we langs zullen komen.

Salvador, zaterdag

En toen kwam de inzinking. Natuurlijk vermoeidheid. Daaruit irritaties, verwijten, zinloosheid. De ene opmerking lokte de andere uit. Ruzie en niet meer met elkaar praten. En daarna toch weer gelijk willen hebben en dus weer argumenteren. Van de zogenaamde rustdag kwam niets terecht. Met een kater van jewelste, vol moeizame analyses. Irene zei dat ze hier niet kon leven, dat ze zich hier niet thuisvoelde . Ik beweerde het tegendeel, misschien wel uit baldadigheid, maar het gevoel van dat moment was wat telde. En natuurlijk had Irene net zoveel pijn in haar hoofd en in haar maag als ik. Maar we waren nu even totaal op onszelf aangewezen en konden elkaar eindelijk niet meer helpen, want het ging om iets wat onverenigbaar was. Juist omdat het hetzelfde was, namelijk de totale onmogelijkheid om ons met de wereld, de materie, de emotie, zelfs niet met onze eigen wensen, te verenigen.
De middag bracht wat meededogen . En omdat we elkaar al zo lang kennen, lieten we onszelf maar een beetje zijn in alle triestheid en lichamelijke post-alcoholische zwakte. Afhankelijk van elkaar zijn en naar onafhankelijkheid streven. De onmogelijkheid van de combinatie van intimiteit en engagament met de wereld. Emoties slijten, vergeving is laf en daarom nog mogelijk.

Salvador, zondag

Vandaag hebben we een tweede poging gedaan om in de wijk Pelourinho door te dringen. We hadden een verstandiger tijdstip uitgekozen. Het was overdag in de volle zon, in gezelschap van zondagse burgers en hier en daar wat groepjes dolende toeristen. We zagen weer straatjongetjes, maar ze waren getemd door het daglicht en verkochten pinda's of bedelden om een dollar. Ze noemden ons "Amigo" en lachten, ze vochten om het drankje, dat we hen gaven, dropen af als we nee zeiden en kwamen steeds weer terug om nog een poging te wagen door op ons gemoed te werken. We kochten wat Bahiaanse rommeltjes in donkere stalletjes. Terwijl we in een kerk wat rust en verkoeling zochten, probeerde een gids ons een candomblé-avond te verkopen. Een tweede gids kwam erbij staan en begon ruzie te maken met de eerste omdat hij vond dat de ander zijn klanten afpakte. Een paar biddende gelovigen voorin de kerk keken bestraffend om.

Terug bij het hotel maakten we nog een wandelingetje langs het verlaten strand. De laatste vermoeide drankjes-verkopers rustten wat uit, zittend op hun koelboxen. Zwerfkinderen probeerden weer een aanslag te doen op onze liefdadigheidsgevoelens. We raakten er misschien wel aan gewend. Het werd laat. Ineens schoot vanuit een zijstraatje een vrouw op ons af. Ze had een kindje van een jaar of drie aan de hand. " Jesus te ama " ( Jesus houdt van u) zei een schorre stem. En ze vervolgde klagend dat haar kindje ziek was en dat ze geen geld had voor geneesmiddelen. Ik vroeg wat het kind had. En de vrouw begon overdreven te hoesten en commandeerde het kind om ook te hoesten. Op een afstandje stond een man tot te kijken en begon deel te nemen aan het gesprek. Ook hij wees naar zijn borst en begon hoestgeluiden te produceren. En ja hoor, daar ging mijn portemonnee alweer open. En voor ik het wist gaf ik de vrouw met de verslaafde ogen een bedrag waarvan ze het kind minstens een week te eten kon geven. Daar heeft ze lekker een paar flessen cachaça van kunnen kopen. Zo worden hier dus de problemen "opgelost". Je kind exploiteren. Ik walgde van mezelf. Had ik na al die reizen nu nog niet geleerd dat het op deze manier zinloos is te geven? De enige hoop was dat het kind een paar dagen minder slaag zou krijgen omdat papa en mama voor even in hun roes konden wegzakken.

Salvador, maandag

In het krankzinnige verkeer probeerden we wéér het centrum te bereiken. Na nieuwe ontmoetingen met weer nieuwe organisaties opnieuw vastgeraakt in de files. We namen een zijweg en verdwaalden in het avondschemer in grimmige achterbuurten. De auto viel stil in een diepe kuil in een steegje. Armoedige ogen staarden ons aan, onzichtbare handen probeerden de portieren van de auto open te rukken. Begerige vingers probeerden ons opnieuw te beroven. En ineens was Brazilië niet zo lief meer. We voelden de andere helft van diezelfde mooie hartstocht als een monster met ontelbare tentakels die ons insloten en ons zonder enig mededogen verslonden en terugbrachten tot de enige staat waartoe ieder mens gedoemd is: de totale verdwijning. Maar het moment vlak voor de verslinding door het roofdier, dat eeuwig uitgestelde moment, die hoop op redding, is de grootste angst. Laf word je, je belooft alles om maar niet te hoeven sterven, je vernedert jezelf om maar niet alleen te hoeven zijn, oog in oog met de dood, die wacht, loert en zijn eigen moment kiest, later, vroeger, maar alstublieft niet nu..

Kwamen wij de arme Brazilianen helpen? Of hadden ze macht over ons door hun niets ontziende verharding?
Die nacht was ik weer onrustig. Voor het eerst deze reis voelde ik me, net als Irene eerder, totaal ontheemd. Maar ik had ook geen hoop op een thuis in mijn eigen land. Want ook daar voel ik me soms een vreemdeling, zonder te begrijpen waarom en zonder het te accepteren.

Onderweg, dinsdag

Voorbereiding op de terugtocht. Alles kost hier minstens drie keer zoveel tijd. Verder is er de hitte, de gezondheidskwaaltjes en de leegte achter dit alles.. Er is geen tijd voor gevoeligheden. We moeten nog zeker vijftienhonderd kilometer rijden over de eindeloze stoffige wegen. Armoede. Mannen met trieste bundels oogst op hun schouder en een pre-historisch kapmes in hun vuist. Vrouwen met wasgoed op hun hoofd en een rij kinderen aan hun hand. Uitgestrekte fazenda's , oerwoud, hutten, opgetrokken van de meest ondenkbare materialen, en altijd weer die opgestoken duim en die onbevangen glimlach als je iemand aankijkt.

Het werd gevaarlijk toen we de volgende stad naderden. De schemer viel in en het begon te regenen. De verblindende lichten van inhalende vrachtwagens, gecombineerd met plotseling opdoemende diepe kuilen in het wegdek, zorgden ervoor dat we af en toe slipten, van de weg afraakten en bijna wegzakten in de modder. Vloekend op het onverantwoordelijke rijgedrag van de Brazilianen, bereikten we eindelijk een pousada in de binnenstad. Een schril contrast zodra je uit de auto stapt, gedienstige handen die je bagage aannemen. De eigenaar begint een praatje over de voetbalwedstrijd op de televisie, die altijd en overal aanstaat.

Onderweg, woensdag

Verder rijden. Weer talloze armoedige buitenwijken van duizenden rottende, wegzakkende houten krotten langs de rivier, op heuvels en aan de rand van de jungle. Kinderen van zes, zeven die met scheppen gaten in de weg hebben gemaakt om zo blokkades op te werpen. Daardoor worden voorbijgangers gedwongen om te stoppen, zodat ze kunnen bedelen. Soms gebeurt dit heel gelaten en stil. Soms heel agressief. Gelukkig hebben we bij projecten ook andere oplossingen gezien om de ellende de baas te worden. Gieren op een mestvaalt of mieren die een huis bouwen. Dat zijn de tegenstellingen die je in dit helse paradijs kunt tegenkomen.

Tegen de avond bereikten we Itamaraju . Bellen naar de organisatie. Wachten op een telefoontje van de directeur. Hij klonk gestresst. We kwamen niet op een geschikt moment en moesten wachten tot morgen. De volgende ochtend stond hij met zijn vrouw om zeven uur in het hotel.

Itamarajú , vrijdag 

Gisteren en vandaag lange dagen vol projectbezoeken en nieuwe ontmoetingen. Aan het einde van de tweede dag toch weer ineens een terugval in mijn concentratie om Portugees te verstaan, een soort blackout . Veel mensen hier schijnen niet te begrijpen wat het is om in een andere taal te moeten communiceren. Ze kennen geen andere taal dan Portugees en houden er dan ook meestal geen rekening mee. Ze kwebbelen maar door. En ze kunnen er wat van.het lijkt alsof je steeds weer een nieuwe " palestra " (lezing) op je af krijgt. Alle informatie is voor ons ook nog eens totaal nieuw. En elke situatie is weer anders. Uiteindelijk is het natuurlijk allemaal weer heel leerzaam. De organisatie helpt kleine boeren, landbezetters en indianen met deskundige adviezen op het gebied van landbouw,  onderwijs, recht op land, gemeenschapsvorming.

Opnieuw een bezoek aan een grote assentamento , midden in de wildernis. Schrijnende armoede, veel kinderen met snotneuzen, luizen. Lemen hutten. Een schooltje met twee overvolle klassen aan een riviertje waar vrouwen de was doen. Nieuwe gezichten van onderwijzers, boeren met simpele landbouwgereedschappen , mannen te paard,  vrouwen die midden in een grote berg maniok zitten en de zwarte schil van de wortel afschrapen, een huilend jongetje dat eenzaam over een landweg loopt. De mensen van de organisatie vertellen ons over hun idealen. Ze willen een beter schoolgebouwtje neerzetten, dat meteen gebruikt kan worden als vergaderruimte. En ze willen een slaapruimte voor de onderwijzers creëren, zodat die hier kunnen overblijven als het weer te slecht is. Er is verdeeldheid in de assentamento . Dat willen ze oplossen. En ze willen de landbouw verbeteren, fruitbomen neerzetten en het regenwoud voor een deel herstellen. Een ander deel van de bewoners wil geen bos meer planten. Ze willen veel vee houden, geld verdienen. Vertegenwoordigers van de beweging van de landlozen moedigen hen daartoe aan. Onze begeleiders willen een langzamere, maar degelijker ontwikkeling, met aandacht voor de uitgeputte bodem. We lopen door een veld vol jonge sinaasappelboompjes. Aan de overkant van het dal zien we de kale weilanden met zwartgeblakerde boomstronken. Daar heeft de organisatie geen zeggenschap.

En dan zijn er nog de religeuze sektes. Zoals de Assembleia de Deus die voet aan de grond proberen te krijgen in heel Brazilië. Ook hier, aan de rand van de assentamento , staat een kerkje met de bekende trapgevel , die je in elk gehucht kunt aantreffen. Ze vragen geld van arme mensen in ruil voor zieleheil . De jongeren gaan erheen om wat afleiding te krijgen. Er wordt immers muziek gemaakt. En gebeden. En er worden beloften gedaan. Misdaad in naam van de Schepper. Dan toch maar liever T.V. als amusement?  Dat zal hier nog wel even duren.

Die zelfde avond rijden we met de vrouw van een van de landbouwspecialisten naar de stad Teixeira de Freitas , waar we een bijeenkomst bijwonen van een groep landlozen. We worden aan allerlei mensen voorgesteld. Er wordt een toneelstuk opgevoerd waarin de geschiedenis van de onderdrukking in Brazilië wordt uitgebeeld. De burgemeester houdt een vurige toespraak, sigaret in de linkerhand, rechterhand onafgebroken in beweging. De landlozen, armoedig gekleed, zwijgend en onwennig in deze stadse omgeving, luisteren toe. Soms wordt er vanuit de overvolle zaal ineens bevestigend geroepen, geapplaudisseerd. Er is een duidelijk contrast tussen de landbouwers en de studenten en leraren van de universiteit die deze avond hebben georganiseerd.

Tijdens de pauze ontmoeten we een Nederlandse pater die hier al tientallen jaren woont en werkt voor de allerarmsten. Hij is zeer kritisch op de overheid en vooral op de corruptie, het grootschalig verdwijnen van geld dat eigenlijk voor sociale projecten is bestemd. Hij vindt dat buitenlandse organisaties eigenlijk geen geld moeten schenken, omdat ze dan de corruptie indirect bevestigen en de bevolking niet gestimuleerd wordt om er iets tegen te doen. Wij zeggen dat we ook niet willen dat mensen afhankelijk worden van buitenlandse steun, maar dat we groepen juist willen steunen in hun strijd tegen corruptie en afhankelijkheid. Zijn bevlogenheid maakt grote indruk. Het is een van de vele lessen tijdens deze oriëntatiereis die we zeker mee moeten nemen in onze verdere plannen. Na de pauze weer toespraken, een fototentoonstelling van de bekende Braziliaanse fotograaf der misdeelden , Sebastião Salgado , gezang van de studenten, gesprekken met volslagen onbekenden die ons aanspreken of ze ons al jaren kennen. Overweldigend, zoals deze hele reis. Teveel en toch niet genoeg. We moeten nog veel leren, beter begrijpen, er verder in gaan. Maar eerst verantwoording afleggen in Nederland, uitleggen wat we gezien hebben en dat het allemaal niet zo eenvoudig en eenduidig is als we dachten.

Weer een afscheid. Weer zeggen dat we gauw van ons zullen laten horen. We hebben nog geen belofte gedaan. Dat proberen we zo weinig mogelijk te doen. Maar we weten nu al dat we ook hier iets zullen gaan doen om te helpen.

Campos , zaterdag

's Avonds aankomst in Campos , een keurige stad aan een grote rivier. De binnenstad doet heel Europees aan. Voor het eerst weer een veilig gevoel. "Beschaving". Een perfect hotelletje zonder muggen. Maar er ontbreekt iets. Het zijn de beelden, de geluiden, de geuren, de gebaren van de afgelopen weken, het grote grote land, het vergeten Brazilië, en een stukje van onszelf.

Onderweg, zondag

Via de kustweg, vissers- en badplaatsjes, mooie- en lelijke landschappen, een te lange zit en even een bliksembezoekje aan het plaatsje Maricá . Via de lange Niteroi-brug rijden we eindelijk weer het prachtig verlichte Rio binnen. Gelukkig is het zondag en kunnen we zonder files recht naar het centrum rijden. Door de week kan zo'n afstand door de stad soms wel uren in beslag nemen. Wat een luxe om hier te zijn en wat een verschil met het achterland.

Rio , maandag

Half vijf in de ochtend. Ik open het verveloze raampje. Drie verdiepingen lager: de zee. Donker nog. Een paar vuile sterren in de mist boven de vloed. Het water van de oceaan dat in witte kragen uitrolt op het strand en zacht tegen de kaden kruipt. Lichten van schepen voor anker bij de maan. Een vuurtoren op het eiland in de verte. De landtong van Arpoador die aan de linkerkant donker in zee uitloopt. Het is daar gevaarlijk nu, zeggen ze. Er slapen straatkinderen in de holen. Ze snuiven, eten weggegooide McDonaldhappen . Ze wassen zich in zee. Ze beroven nietsvermoedende Amerikaanse toeristen die in therapie yoga doen op het beetje strand dat de golven nog vrij laten. Krabbetjes, garnalen, insecten, vissen, ze zoeken ook hun geheime weg onder al dat water. Ze eten elkaar op.

De lampen op de boulevard beschijnen een lange rij bomen en bankjes. Op de bankjes hier en daar een warme massa onder een deken of een gescheurde jas. Het is hier gelukkig bijna altijd zomer.

Een slapeloze vrouw in joggingpak laat haar hondje uit. Ze glimlacht alsmaar. Langs de stille boulevard loopt ze terug naar haar appartement. Een auto komt uit een ondergrondse garage, klaxonneert . De man in het wachthuisje die de hele nacht waakt over het gebouwencomplex, doet gedienstig de hefboom omhoog-omlaag en gaat weer bij zijn portable in die vierkante meter hut zitten. Ik heb met hem gepraat, hij komt uit Ceará in het verre noordoosten. Heeft zijn gezin achtergelaten, al twee jaar geleden. Er was geen werk meer in zijn dorp. Elke maand stuurt hij geld naar huis. Hij hoopt dat ze op een dag naar Rio zullen komen. Maar hij sterft van heimwee.

Vijf uur. De vuilniswagen. Het afval. De oranje pakken van de ophalers. Zij komen ongetwijfeld ook van ver weg.

Een man en een vrouw in wit T-shirt met dezelfde opdruk, energiek zwaaiend met hun armen, in looppas rakelings langs de doodstille figuren op de bankjes.

Tegen het hek van een huis zit een jongen van vijftien. Achter het hek suft een poedel. De zee. De schepen voor anker. De stad hierachter. De lichten van appartementen en favelas , verblekend in de opkomende zon. Twee patrouillerende politiemannen met knuppels en pistolen op hun heup. Ze kijken niet eens naar de vrouw onder de ruiten deken. Straks om half zeven zal ze opstaan, haar haren en haar uniform gladstrijken, een slok uit haar thermosfles nemen en naar de supermarkt lopen waar ze veertien uur ononderbroken, zes dagen per week de kassa bedient. De zevende dag zal ze teruggaan naar haar gezin in de veel te verre wijk aan de rand van de alsmaar groeiende stad.

De zee. De sterren. De man met het fototoestel , wat doet hij hier om half zes? Stelt de lens scherp. De camera flitst. De dia in de huiskamer in Dallas zal de ruiten deken tonen en de blote voeten en de schoenen onder de bank die nooit gestolen worden omdat ze te oud zijn.

De straatkinderen slapen nog in de rotsen onder de vuurtoren. Een van de meisjes zit met haar handen op haar zwangere buik, starend over het water. Wie was de vader? Uit een van de hoge appartementen verschijnt een bejaarde man op het balkon. Hij staart naar de zee, dezelfde zee. Het jongetje tegen het hek schraapt een halve kokosnoot leeg. Op de boulevard komt langzaam het zesbaans verkeer op gang.

Het wordt echt dag nu. De lichten op zee verdwijnen. De palmen boven de bankjes worden schaduwen. De zee wordt van de hemel gescheiden. Meer mensen verschijnen op straat. Een sjofele man met een grote reistas gaat naast een slapende hoop zitten en begint met de zee te praten. Zijn handen zwaaien boos, zijn vinger wijst overtuigend naar een punt in de verte, hetzelfde punt. Ondertussen friemelt zijn linkerhand aldoor zenuwachtig aan de hengsels van zijn tas. Niemand let op hem.

Het zonlicht is met de minuut voller, maar het blijft toch nog een moment koel. De eerste zwemmer duikt in de golven waarop een verdachte groene materie danst. De riolen van Rio. Ergens klinkt muziek. Op de hoek is de Bahiaanse druk in de weer met het uitstallen van haar oventje en de etenswaren. Het verkeer raast langs, zwelt aan. Allemaal op weg naar het centrum of nog verder.

De bewegingloze slapers op de bankjes vertrekken een voor een, sommigen naar hun werk, anderen naar een nieuwe slaapplaats. De mist kruipt langzaam van de bergen in de richting van de kust. Een doordringende stank vult de hotelkamer. Al gauw drijft een doorzichtige nevel over de eerste volleybalspelers, de straatkinderen die uit de grotten zijn gekomen, de meisjes met de strings , de venter met de maiskolven , de Bahiaanse met de hapjes. Dit is de gezamenlijke walm van tienduizenden uitlaten, fabrieken, riolen, stinkende beekjes, stilstaande plassen , stervende bomen, menselijke lichamen, de baaien bij Niteroi en langs de Avenida do Brasil , waar het water niet goed weg kan, vooral niet bij de tientallen favelas.

De gekke vrouw die elke ochtend op dit uur verschijnt en tegen iedereen praat, loopt met grote stappen op en neer, honderd meter heen, honderd meter terug. Elke dag is haar shirt met de opdruk "Jezus is de weg" perfect schoon. Ze praat niet echt tegen iemand in het bijzonder, eerder over de voorbijgangers heen. Ineens zet ze een lied in en slaat daarbij woest de maat. Ook haar ogen staren naar iets daar in de verte, de hoogte, de redding die ze preekt. Het jongetje tegen het hek lacht haar niet uit. God is niet voor cynici. De stem van de vrouw is niet zo schel en toonloos als die van de hotelgast bij de bedompte receptie. Ik weet inmiddels dat hij wetenschappelijk medewerker psychiatrie is aan een of andere Oostenrijkse universiteit. Ongegeneerd hard geeft hij de Zwitserse hippie een ongevraagde analyse van de Braziliaanse politiek. Waarom hier? De baliemedewerkers lachen stilletjes om die uitslover.

We lopen naar de bushalte, wachten geduldig in een rij van stille vermoeide mensen. Bussen remmen schokkend en trekken ook weer hikkend op. We wringen ons door het poortje en blijven heen en weer deinend tussen de passagiers hangen. Op weg naar een groot kantoor in het dichtslibbende centrum.

Rio , woensdag

Ondanks mijn gevoel van weemoed over  het Brazilië dat we op deze indringende reis hebben leren kennen, ben ik eigenlijk toch een beetje blij dat we vandaag vertrekken. Ik begin nu echt genoeg te krijgen van al dat gereis. Pousada in. Pousada uit. Maar zo erg als in Rio heb ik het nog niet meegemaakt. De onsympathieke man aan de balie noemt bij het uitchecken ineens een veel hogere prijs dan afgesproken. Er zijn ineens tien procent servicekosten bovenop de kamerprijs die al inclusief service was. Ik discussieer. Hij doet wat van de prijs af. Aardig geprobeerd. Op het platteland noemen ze (meestal in het laagseizoen) eerst een prijs bij het inchecken en geven dan al meteen korting voordat je iets gevraagd hebt.

Nadat we de tijd tot 12 uur vol hadden gemaakt met een laatste wandeling door een veel te hete binnenstad, zeulen we met onze bagage naar de auto. Er is nog tijd voor het vliegtuig vertrekt. We nemen de afslag richting Urca.

Zitten aan de kade en kijken naar de vissers en hun bootjes. De stad in de verte. De lange brug naar Niteroi . De zon. Tegen twee uur richting vliegveld. Wat arme oudjes en alcoholisten bij een kerk. In de favelas een middeleeuwse drukte. Het vliegveld. Auto inleveren. Weer gezeik met betalen. Inchecken. Kapotte computers en een overspannen stewardess. Lange rijen bij de douane. Geen afscheid voor ons. De familie was de stad uit. Wachten. Wisselgeld uitgeven in veel te dure winkels. De man achter me in het vliegtuig die niet slaapt en alsmaar zucht, hoest en heen en weer loopt. Angstaanjagende turbulenties. Het stampen van de romp op luchtdruk-verschillen . Omvallende bekertjes. De twee slapende zakenmannen voor me.

Eindelijk in de ochtend een uurtje slaap. Wakker boven Bretagne . Wat is het Europese landschap vol vergeleken bij de uitgestrekte massa van Brazilië! Hier overal aaneengesloten puzzelstukjes bouwland, stadjes, steden, wegen, industrieterreinen. Tot zover het oog reikt. Behalve de zwarte Pyreneeën. Dit is Europa.

Aankomst Schiphol. De rit naar huis. Nederland nog koud, maar al vervuld van lente. Thuis. Ik voel niets. Stapels post openmaken. Onwetende slaap vol levensechte dromen. Vroeg in de ochtend wakker met koppijn en een raar gevoel. Voor elk lichaamsdeel een andere zwaartekracht. Richtingloos en toch vol plannen.