| In
het stof dat uit de weg groeit
Is hun wachten een reis
Hun huiden glimmen niet van overdaad
De schepen die hen brachten
Zijn al lang vergaan
Ze leven hier, bevrijd door boeien op krediet
Ze zeggen al zo lang ja
Overal is voedsel
Niet in hun hand
Mond lacht toch wel
De Grote Redder heeft
hen niet uitverkoren
Toch wachten ze op hem
Soms wordt er zomaar op
hen geschoten
Ze dragen alleen een oude jas
Waarvoor zelfs kogels hun neus ophalen
Hun honger protesteert
niet
Hun ziel neigt naar een dialect
Dat elke vreemdeling verstaat
Als je wilt, geven ze je hun laatste dag cadeau
Hun kinderen vertrekken naar steden
Waar tumor mooie namen heeft
De achterblijvers weten iets anders
Hun herinnering is van vóór de fondswervers
Hulpverleners zullen het gerafelde welzijn
Niet even met welvaart kunnen stelpen
Echte plaatslozen vragen alleen
Om wat altijd al van hen was
Zal de vooruitgang
Ooit weer weggaan uit ogen
Die wensten en bezaten
Wat niemand vasthoudt? |