Met aandacht voor samenhang
Home 
Publicaties Impressies Andere bronnen Actueel Contact
 
Andere bronnen
Gedrukte media
 
Alternatieve economie  
Milieu en Voedsel-
vraagstukken
 
Verslagen van Pequeno-partners  
Artikelen en boeken over Brazilië  
Braziliaanse Literatuur  
Filantropie  
   
Links  

Hoe ver reikt solidariteit?

David Renkema

De Fair Trade Organisatie zet zich in voor kleine koffieboeren in de Derde Wereld. Maar heeft ze ook een boodschap aan boeren en tuinders in Nederland? Jan Wim van Drunen, tuinder in de Bommelerwaard, was niet de eerste die deze vraag naar voren bracht: 'Is mijn positie wezenlijk anders dan die van een koffieboer in de Derde Wereld?' De inzet voor kleine boeren - waar ook ter wereld - brengt de ordening van de wereldhandel in beeld. Mogen en kunnen overheden de markt 'dwingen' tot rechtvaardige - kostendekkende - prijzen? Kortom: hoever reikt solidariteit?

De Fair Trade Organisatie kan het appèl van kleine Nederlandse boeren en tuinders, zoals verwoord door Van Drunen in de Handelskrant (juli 2001), betrekkelijk eenvoudig naast zich neerleggen. Volgens haar doelstellingen richt de Fair Trade Organisatie zich immers op eerlijke handel ten gunste van producenten in ontwikkelingslanden. Boeren en tuinders in Nederland staan daar buiten. Eerlijke handel is te zien als een reactie op de ervaring dat ontwikkelingshulp alléén bij lange na niet toereikend is om de kloof tussen arm en rijk te slechten. Maar de eerlijke handel is tevens een kritiek op de reguliere - amorele - handel. Juist dit laatste raakt ook aan de discussies over de Nederlandse land- en tuinbouw en over het markt- en prijsbeleid van overheden.

Solidair in buiten- en binnenland

Nederlandse boeren en tuinders hebben in het verleden eenzelfde soort appèl gedaan op kerkelijke organisaties. De Vastenaktie en Kerkinactie besteedden in de jaren zeventig en tachtig veel aandacht aan het voedselvraagstuk, in het bijzonder aan de voedselzekerheid op het platteland in Sub Sahara Afrika, Zuid Azië en Latijns-Amerika. Woordvoerder Herman Verbeek van de zelforganisatie Landelijke Boerinnenbelangen speelde deze kaart dan ook uit in een gesprek met de Raad van Kerken, halverwege de jaren tachtig. In mijn woorden: 'Jullie doen veel goeds voor onze collega's in verre landen . , maar jullie hebben geen oog voor boeren en tuinders in eigen land'. Herman Verbeek c.s. pleitten toen hartstochtelijk voor de oprichting van een Interkerkelijk Landbouwberaad (IKL), naar voorbeeld van het toen beroemde en beruchte Interkerkelijke Vredesberaad. De grote kernwapendemonstraties lagen nog vers in het geheugen. De Raad van Kerken zag echter niets in een IKL. Wel wees de Raad van Kerken op zijn studiegroep Kerken en Landbouw, onder leiding van de Wageningse hoogleraar Jerrie de Hoogh. Het idee van Verbeek kreeg niet lang daarna gestalte in het Kritisch Landbouwberaad.

Nederlandse boeren ook de dupe?

Het is zeer verleidelijk om uit te gaan van de gedachte dat boeren en tuinders in Nederland op eenzelfde wijze de dupe zijn van bijna ongrijpbare economische processen als hun collega's in ontwikkelingslanden. Vanuit het perspectief van individuele boeren en tuinders is dat tot op zekere hoogte ook het geval. Immers, zij moeten het als het ware doen met marktprijzen die niet te beïnvloeden zijn. Bovendien is het hen zo goed als onmogelijk om individueel snel en adequaat te reageren op veranderingen in die marktprijzen.

Het eerste punt is direct duidelijk als we de positie van een boer of tuinder vergelijken met die van een grote ondernemer die dermate dominant is dat die prijsstellend is (monopolisten, oligopolisten en kartels). Individuele boeren en tuinders verkeren absoluut niet in een dergelijke positie. Op het moment dat ze een hogere prijs zouden vragen dan een collega, zijn ze hun klanten in de regel domweg kwijt. Koffiebonen kun je misschien met enige goede wil nog een tijd opslaan, met aardbeien is dat absoluut onmogelijk. Een boer of tuinder moet doorgaans de prijs nemen, of hij het nu leuk vindt of niet. Het tweede punt heeft ten dele te maken met het gegeven dat land- en tuinbouw afhankelijk is van biologische processen. Een lopende band kun je - afhankelijk van het prijsverloop - sneller of langzamer laten lopen. Hoogstens vormen contracten met toeleveranciers en de situatie op de arbeidsmarkt beperkende factoren. De groei van planten, vruchten en schijnvruchten kan niet zomaar versneld, vertraagd of afgebroken worden. Sterker, de omvang van de productie is in meer of mindere mate afhankelijk van natuurlijke factoren. Eenmaal gezaaid og geplant volgen de gewassen een patroon dat slechts beperkt beïnvloedbaar is. Wie koffiestruiken of aardbeien heeft staan, kan ook niet van de één op andere dag overstappen op een ander gewas. De boer of tuinder zou dan niet alleen zijn kapitaal vernietigen, hij of zij zou ook opnieuw moeten investeren in kennis, kunde en materiaal. Kortom, zijn of haar vermogen om te reageren op prijsschommelingen is gering.

Individuele boeren en tuinders hebben niet de economische macht om prijzen te dicteren en zij missen ook het vermogen om adequaat op prijsveranderingen te reageren. Tegelijkertijd bepalen die prijzen wel hun inkomens. Vandaar dat prijsschommelingen dramatisch kunnen uitpakken voor het wel en wee van boer en tuinder. Dit prijsrisico kan de individuele boer of tuinder enigszins afdekken door meerdere gewassen te telen.

De zwakste schakel in de keten

Maar het is niet zinvol om de analyse te beperken tot de positie van individuele boeren en tuinders. Ook op een meer structureel niveau vallen de overeenkomsten op. De land- en tuinbouw zijn bijna van oudsher deel van een keten, die begint bij de primaire producent en eindigt bij de consument. Cruciaal zijn de veelal grote ondernemingen tussen miljoenen producenten en miljoenen consumenten. Daar ligt tot op zekere hoogte de economische macht. Het lijkt erop dat vooral de ondernemingen die dicht bij de finale consumenten opereren en hun wensen niet alleen kennen maar soms ook beïnvloeden, een steeds sterkere positie krijgen. Zij proberen hun wil op te leggen aan de rest van de keten. Van Drunen wees in dit verband terecht op The Greenery, Ahold en Laurus. Binnen de koffie-economie richt de kritiek zich vooral op de grote branders, zoals Sara Lee/DE, Nestlé, Kraft en Procter & Gamble. Hoewel hun macht ook niet overschat mag worden, ligt bij dergelijke ondernemingen - inclusief hun (eventuele) aandeelhouders - wel een zekere verantwoordelijkheid voor de keten als geheel. Hoe dan ook, de overeenkomsten zijn op dit niveau nog steeds treffend.

De context: een wereld van verschil

De Nederlandse land- en tuinbouw heeft sinds het einde van de 19e eeuw meerdere grote crises doorstaan. De reactie op deze crises is in meerdere opzichten interessant. De vele boeren- en tuindersbonden die werden georganiseerd hebben de individuele boeren en tuinders een krachtige stem gegeven in het publieke en politieke debat. Zeker tot in de jaren zeventig van de vorige eeuw was er sprake van een sterk groen front, inclusief zeer nauwe relaties met de regeringspartijen. Nu, aan het begin van de 21ste eeuw, is deze politieke macht al weer behoorlijk afgenomen.

Diezelfde boeren en tuinders probeerden de macht van het particuliere bedrijfsleven in te perken door de oprichting van eigen coöperaties, waarvan de veilingen, melk- en zuivelfabrieken en suikerfabrieken de bekendsten zijn. Ook de RABO is een poging om de kredietverlening in eigen hand te nemen. In de 20ste eeuw hebben Nederlandse boeren en tuinders met succes geprobeerd om de keten binnen de eigen invloedssfeer te brengen. Dat is - getuige de vele coöperaties in de keten - ook goed gelukt. Tegelijkertijd is de invloed van boeren en tuinders op het beleid van de eigen coöperaties in de loop van de tijd weer verminderd. De grote top-coöperaties onderscheiden zich nauwelijks meer van particuliere ondernemingen met aandeelhouders.

De overheid heeft zich tot de crisis van de jaren dertig verre gehouden van directe marktinterventies. Aanvankelijk ging men niet verder dan het ondersteunen van het landbouwkundig onderzoek, onderwijs en voorlichting. Pas halverwege de 20ste eeuw koos de Nederlandse overheid voor een markt- en prijsbeleid. Later nam de Europese Economische Gemeenschap de kern van dit beleid over in het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB).

Dit hele complex heeft de Nederlandse land- en tuinbouw een enorme impuls gegeven. Nieuwe technologieën werden ontwikkeld en vonden ook snel hun weg in de sector. Natuurlijke risico's werden dankzij wetenschap en techniek min of meer vermeden. Dat hiermee nieuwe - ecologische - risico's genomen werden, hadden slechts enkelen door. De productiviteit en de productie stegen tot ongekende hoogte. De agrarische sector in de industrielanden neemt daarom een volstrekt andere positie in dan de agrarische sector in tal van ontwikkelingslanden. Daarbij komt dat het systeem van sociale zekerheid in Nederland ondanks alle bezuinigingen nog een vangnet biedt aan boeren en tuinders die hun bedrijf moeten opgeven. Een dergelijk vangnet is in ontwikkelingslanden doorgaans niet aan de orde. Het grote verschil tussen de positie van boeren en tuinders in Nederland en die in de meeste ontwikkelingslanden zit juist in deze brede context waarbinnen zij opereren.

Overheid moet ingrijpen

Gedurende de eerste decennia na de tweede wereldoorlog bestond een zekere consensus dat de handel in agrarische producten niet geheel en al overgelaten kon en mocht worden aan het marktmechanisme.

Het eerste wereldhandelsverdrag (GATT) koos weliswaar voor het principe van een liberale wereldhandel, maar maakte meteen een uitzondering voor de handel in agrarische producten. Deze uitzondering had te maken met - wat we nu noemen - de soevereiniteit van landen om hun eigen voedselvoorziening te regelen. Minstens zo belangrijk was echter een ander argument. Men was de overtuiging toegedaan dat een volledig vrije markt desastreus zou zijn voor de agrarische productie. Dit had te maken met de afhankelijkheid van de agrarische productie van natuurlijke processen. Maar men zag ook in dat boeren en tuinders niet of nauwelijks konden reageren op prijsschommelingen. Het was aan overheden om maatregelen te treffen om boeren en tuinders te beschermen tegen de zogenoemde functieloze prijsfluctuaties.

Het oorspronkelijke gemeenschappelijke landbouwbeleid (GLB) van de Europese Unie was ook op deze veronderstelling gebaseerd. De EU zorgde - voor zover de sector dat zelf niet kon - voor redelijke prijzen met het oog op de inkomensvorming op moderne, goed geleide agrarische bedrijven. In aanleg kreeg de consument de rekening gepresenteerd, omdat die in de winkel de rechtvaardig geachte prijs moest betalen. De redelijke en voorspelbare prijzen vergemakkelijkten investeringsbeslissingen van boeren en tuinders en uiteraard ook de kredietverlening door banken. Het GLB leidde doorgaans tot een prijspeil dat hoger lag dan de wereldmarkt. Dit betekende dat ook aan de buitengrenzen maatregelen getroffen moesten worden. Heffingen op importen, teneinde te voorkomen dat de eigen producten weggeconcurreerd zouden worden door de lager geprijsde buitenlandse producten. Subsidies op exporten, teneinde te kunnen concurreren op de wereldmarkt. Zolang de EU een netto-importeur was, was daar niets mis mee. Maar toen rondom 1980 structurele overschotten ontstonden, rezen de budgettaire lasten (opkopen en opslaan van overschotten, exportsubsidies) de pan uit. Het punt was dat de EU verzuimd had om de keuze voor rechtvaardige interne prijzen te combineren met maatregelen om de productie te beheersen.

Tucht van de vrije markt

Eind jaren tachtig kwam de omslag. De land- en tuinbouw raakte zijn uitzonderingspositie in de GATT (later WTO) kwijt. Ook deze sector kwam - in aanleg - onder de tucht van het vrije marktmechanisme. De Europese Unie koos in het verlengde hiervan voor een geleidelijke vervanging van het prijsbeleid door een inkomensbeleid. De binnenlandse prijzen zouden geleidelijk op het niveau van de wereldmarktprijzen gebracht worden, waarbij de boeren en tuinders onder voorwaarden aanspraak konden maken op directe inkomenstoeslagen. Waar prijssteun primair betaald werd via hogere consumentenprijzen, zijn inkomenstoeslagen direct zichtbaar in het overheidsbudget. Vroeg of laat gaat daar een streep door, was destijds de vrees en lijkt nu werkelijkheid te worden.

De huidige dominante visie is dat overheden niet direct behoren in te grijpen in de markten voor goederen en diensten. Overheden beperken zich tot het stellen van de randvoorwaarden, de spelregels. Niet meer en ook niet minder. Met enige goede wil bestaan die randvoorwaarden uit de Universele Veklaring van de Rechten van de Mens, de ILO arbeidsrechten, milieuverdragen en dergelijke. Gevreesd moet echter worden dat de WTO-spelregels domineren over de humane en ecologische waarden. Directe interventies in prijzen vanuit bepaalde opvattingen zijn hoe dan ook uit den boze, althans binnen deze visie.

Keuzen maken

De Fair Trade beweging heeft ook direct te maken met de geschetste terughoudendheid van overheden om direct in te grijpen in de prijsvorming. De huidige koffiecrisis biedt in dit verband voldoende stof tot nadenken. Een pleidooi voor fair trade of Max Havelaar koffie - hoe belangrijk ook - vormt geen bevredigend antwoord op deze crisis.

De Oxfam campagne Make Trade Fair pleit voor een reddingsplan voor de koffie. Zonder ook maar iets af te willen doen aan het reddingsplan als geheel, valt mij één terugkerend punt op, namelijk de keuze voor 'fatsoenlijke prijzen' (decent prices). Men wil toewerken naar een situatie waarbij de balans tussen vraag en aanbod zodanig hersteld is dat producenten redelijke prijzen (reasonable prizes) voor hun koffie ontvangen. De prijzen - zo formuleert Oxfam - moeten boven het niveau van de productiekosten liggen. De koffieboeren dienen vertegenwoordigd te zijn in de organen die deze taak krijgen. Oxfam lijkt te pleiten voor een mondiaal markt- en prijsbeleid. Inhoudelijk lijkt mij dat een juiste keuze. Maar ik heb wel twee vragen. De eerste vraag is of dit voorstel in het tegenwoordige tijdsgewricht realistisch is. Moet een werkelijk reddingsplan - om serieus genomen te worden - niet meer in de sfeer van het haalbare gebracht worden? De tweede vraag is hoe Oxfam deze principiële keuze voor fatsoenlijke prijzen voor koffieboeren verbindt met hun keuze voor het vrije marktprincipe waar het gaat om het GLB? Naar mijn gevoel wringt dit, althans op principieel niveau.

Het Fair Tradejaarboek kiest in het koffiehoofdstuk voor een andere benadering. Men legt zich neer bij het gegeven dat het concept van rechtvaardige prijzen en de bijbehorende overheidsinstrumenten verleden tijd is. De eerste politieke verantwoordlijkheid ligt bij het afremmen van de speculaties op de termijnmarkt door middel van een kleine heffing op speculatieve transacties. De tweede politieke verantwoordelijkheid is het gericht inzetten van de bestaande compensatiefondsen (IMF, EU) als rooi- en plantpremies. Boeren zouden dan beter in staat zijn om zonder kapitaalverlies te reageren op prijsdalingen. Daarnaast zouden koffieboeren en hun organisaties in staat gesteld moeten worden om prijsrisico's af te dekken door te handelen op de termijnmarkt. Deze benadering heeft wellicht nog een wat theoretisch karakter, maar ze sluit wel aan bij het huidige voorkeur voor het marktmechansme en een terughoudend overheidsoptreden en ze biedt ook een antwoord op het risico van prijsschommelingen. De vraag is of ze in de huidige situatie van extreem lage koffieprijzen nog zoden aan de dijk zet.

Tenslotte is er op initiatief van de Fair Trade Organisatie in Nederland een koffiecoalitie opgericht. Deze richt zich vooral op de arbeidsomstandigheden op grote koffieplantages en op ketenverantwoordelijkheid van koffiebranders zoals Sara Lee/DE. De koffiecoalitie houdt afstand ten opzichte van al te omvattende visies op het marktmechanisme en het marktbeleid. Tegelijkertijd laat ze zich ook niet beperken tot het beperkte markfragment van de fair trade koffies van kleine boeren. De koffiecoalitie heeft een dubbele inzet. De eerste is om coalities te sluiten met organisaties van arbeiders die op koffieplantages werken en om hun posities te versterken. De tweede is om mede op basis van deze coalities de koffiebranders dringend te verzoeken om hun ketenverantwoordelijkheid te nemen. Zij zijn - in woorden van demissionair-staatssecretaris Pieter van Geel - immers medeverantwoordelijk voor 'de omstandigheden waaronder .landbouwgewassen worden geteeld'. De koffiecoalitie - waarin naast de Fair Trade Organisatie, de stichting Max Havelaar, de Landelijke Vereniging van Wereldwinkels en Oikos onder andere ook de vakbonden deelnemen - benadert het vraagstuk niet primair vanuit de prijzen maar vanuit de rechten van arbeiders. Een hogere beloning staat hierbij centraal, wat uiteraard kan leiden tot prijsstijgingen.

Deze drie benaderingswijzen sluiten elkaar niet geheel en al uuit. Sterker, ze kunnen elkaar in de praktijk prima aanvullen. Waar het mij in dit verband om gaat, is dat een visie op de betekenis van het markt- en prijsbeleid van een overheid goede doordenking behoeft om coherent en consistent te zijn. Het is niet verstandig om in één adem bij koffie te pleiten voor fatsoenlijke kostendekkende prijzen en bij de Europese land- en tuinbouw een halfslachtige poging daartoe als protectionisme af te wijzen. Waarom zouden boeren en tuinders in Nederland geen recht hebben op fatsoenlijke prijzen?

Davis Renkema

Ir. D.L. Renkema is werkzaam bij de stichting Oikos. Hij was als landbouwdeskundige van 1984 tot 1998 nauw betrokken bij de bezinning binnen de kerken op het brede terrein van de land- en tuinbouw. Aan de vooravond van de oprichting van de stichting Max Havelaar maakte hij deel uit van de kerkelijke delegatie die bijna tot een akkoord kwam met de Vereniging van Nederlandse Koffiebranders en Theepakkers over het inkoopbeleid. Tot het einde van de jaren negentig hield David Renkema zich bij Oikos voornamelijk bezig met de internationale aspecten van voedselzekerheid. Later verschoof zijn werkterrein naar duurzame ontwikkeling, met name het klimaatbeleid. Sinds 1995 maakt hij deel uit van de redaktie van de Handelskrant.