|
De
Fair Trade Organisatie zet zich in voor kleine koffieboeren in de
Derde Wereld. Maar heeft ze ook een boodschap aan boeren en tuinders
in Nederland? Jan Wim van Drunen, tuinder in de Bommelerwaard, was
niet de eerste die deze vraag naar voren bracht: 'Is mijn positie
wezenlijk anders dan die van een koffieboer in de Derde Wereld?'
De inzet voor kleine boeren - waar ook ter wereld - brengt de ordening
van de wereldhandel in beeld. Mogen en kunnen overheden de markt
'dwingen' tot rechtvaardige - kostendekkende - prijzen? Kortom:
hoever reikt solidariteit?
De
Fair Trade Organisatie kan het appèl van kleine Nederlandse
boeren en tuinders, zoals verwoord door Van Drunen in de Handelskrant
(juli 2001), betrekkelijk eenvoudig naast zich neerleggen. Volgens
haar doelstellingen richt de Fair Trade Organisatie zich immers
op eerlijke handel ten gunste van producenten in ontwikkelingslanden.
Boeren en tuinders in Nederland staan daar buiten. Eerlijke handel
is te zien als een reactie op de ervaring dat ontwikkelingshulp
alléén bij lange na niet toereikend is om de kloof
tussen arm en rijk te slechten. Maar de eerlijke handel is tevens
een kritiek op de reguliere - amorele - handel. Juist dit laatste
raakt ook aan de discussies over de Nederlandse land- en tuinbouw
en over het markt- en prijsbeleid van overheden.
Solidair in buiten- en
binnenland
Nederlandse
boeren en tuinders hebben in het verleden eenzelfde soort appèl
gedaan op kerkelijke organisaties. De Vastenaktie en Kerkinactie
besteedden in de jaren zeventig en tachtig veel aandacht aan het
voedselvraagstuk, in het bijzonder aan de voedselzekerheid op het
platteland in Sub Sahara Afrika, Zuid Azië en Latijns-Amerika.
Woordvoerder Herman Verbeek van de zelforganisatie Landelijke Boerinnenbelangen
speelde deze kaart dan ook uit in een gesprek met de Raad van Kerken,
halverwege de jaren tachtig. In mijn woorden: 'Jullie doen veel
goeds voor onze collega's in verre landen . , maar jullie hebben
geen oog voor boeren en tuinders in eigen land'. Herman Verbeek
c.s. pleitten toen hartstochtelijk voor de oprichting van een Interkerkelijk
Landbouwberaad (IKL), naar voorbeeld van het toen beroemde en beruchte
Interkerkelijke Vredesberaad. De grote kernwapendemonstraties lagen
nog vers in het geheugen. De Raad van Kerken zag echter niets in
een IKL. Wel wees de Raad van Kerken op zijn studiegroep Kerken
en Landbouw, onder leiding van de Wageningse hoogleraar Jerrie de
Hoogh. Het idee van Verbeek kreeg niet lang daarna gestalte in het
Kritisch Landbouwberaad.
Nederlandse boeren ook
de dupe?
Het
is zeer verleidelijk om uit te gaan van de gedachte dat boeren en
tuinders in Nederland op eenzelfde wijze de dupe zijn van bijna
ongrijpbare economische processen als hun collega's in ontwikkelingslanden.
Vanuit het perspectief van individuele boeren en tuinders is dat
tot op zekere hoogte ook het geval. Immers, zij moeten het als het
ware doen met marktprijzen die niet te beïnvloeden zijn. Bovendien
is het hen zo goed als onmogelijk om individueel snel en adequaat
te reageren op veranderingen in die marktprijzen.
Het
eerste punt is direct duidelijk als we de positie van een boer of
tuinder vergelijken met die van een grote ondernemer die dermate
dominant is dat die prijsstellend is (monopolisten, oligopolisten
en kartels). Individuele boeren en tuinders verkeren absoluut niet
in een dergelijke positie. Op het moment dat ze een hogere prijs
zouden vragen dan een collega, zijn ze hun klanten in de regel domweg
kwijt. Koffiebonen kun je misschien met enige goede wil nog een
tijd opslaan, met aardbeien is dat absoluut onmogelijk. Een boer
of tuinder moet doorgaans de prijs nemen, of hij het nu leuk vindt
of niet. Het tweede punt heeft ten dele te maken met het gegeven
dat land- en tuinbouw afhankelijk is van biologische processen.
Een lopende band kun je - afhankelijk van het prijsverloop - sneller
of langzamer laten lopen. Hoogstens vormen contracten met toeleveranciers
en de situatie op de arbeidsmarkt beperkende factoren. De groei
van planten, vruchten en schijnvruchten kan niet zomaar versneld,
vertraagd of afgebroken worden. Sterker, de omvang van de productie
is in meer of mindere mate afhankelijk van natuurlijke factoren.
Eenmaal gezaaid og geplant volgen de gewassen een patroon dat slechts
beperkt beïnvloedbaar is. Wie koffiestruiken of aardbeien heeft
staan, kan ook niet van de één op andere dag overstappen
op een ander gewas. De boer of tuinder zou dan niet alleen zijn
kapitaal vernietigen, hij of zij zou ook opnieuw moeten investeren
in kennis, kunde en materiaal. Kortom, zijn of haar vermogen om
te reageren op prijsschommelingen is gering.
Individuele
boeren en tuinders hebben niet de economische macht om prijzen te
dicteren en zij missen ook het vermogen om adequaat op prijsveranderingen
te reageren. Tegelijkertijd bepalen die prijzen wel hun inkomens.
Vandaar dat prijsschommelingen dramatisch kunnen uitpakken voor
het wel en wee van boer en tuinder. Dit prijsrisico kan de individuele
boer of tuinder enigszins afdekken door meerdere gewassen te telen.
De zwakste schakel in
de keten
Maar
het is niet zinvol om de analyse te beperken tot de positie van
individuele boeren en tuinders. Ook op een meer structureel niveau
vallen de overeenkomsten op. De land- en tuinbouw zijn bijna van
oudsher deel van een keten, die begint bij de primaire producent
en eindigt bij de consument. Cruciaal zijn de veelal grote ondernemingen
tussen miljoenen producenten en miljoenen consumenten. Daar ligt
tot op zekere hoogte de economische macht. Het lijkt erop dat vooral
de ondernemingen die dicht bij de finale consumenten opereren en
hun wensen niet alleen kennen maar soms ook beïnvloeden, een
steeds sterkere positie krijgen. Zij proberen hun wil op te leggen
aan de rest van de keten. Van Drunen wees in dit verband terecht
op The Greenery, Ahold en Laurus. Binnen de koffie-economie richt
de kritiek zich vooral op de grote branders, zoals Sara Lee/DE,
Nestlé, Kraft en Procter & Gamble. Hoewel hun macht ook
niet overschat mag worden, ligt bij dergelijke ondernemingen - inclusief
hun (eventuele) aandeelhouders - wel een zekere verantwoordelijkheid
voor de keten als geheel. Hoe dan ook, de overeenkomsten zijn op
dit niveau nog steeds treffend.
De
context: een wereld van verschil
De
Nederlandse land- en tuinbouw heeft sinds het einde van de 19e eeuw
meerdere grote crises doorstaan. De reactie op deze crises is in
meerdere opzichten interessant. De vele boeren- en tuindersbonden
die werden georganiseerd hebben de individuele boeren en tuinders
een krachtige stem gegeven in het publieke en politieke debat. Zeker
tot in de jaren zeventig van de vorige eeuw was er sprake van een
sterk groen front, inclusief zeer nauwe relaties met de regeringspartijen.
Nu, aan het begin van de 21ste eeuw, is deze politieke macht al
weer behoorlijk afgenomen.
Diezelfde
boeren en tuinders probeerden de macht van het particuliere bedrijfsleven
in te perken door de oprichting van eigen coöperaties, waarvan
de veilingen, melk- en zuivelfabrieken en suikerfabrieken de bekendsten
zijn. Ook de RABO is een poging om de kredietverlening in eigen
hand te nemen. In de 20ste eeuw hebben Nederlandse boeren en tuinders
met succes geprobeerd om de keten binnen de eigen invloedssfeer
te brengen. Dat is - getuige de vele coöperaties in de keten
- ook goed gelukt. Tegelijkertijd is de invloed van boeren en tuinders
op het beleid van de eigen coöperaties in de loop van de tijd
weer verminderd. De grote top-coöperaties onderscheiden zich
nauwelijks meer van particuliere ondernemingen met aandeelhouders.
De
overheid heeft zich tot de crisis van de jaren dertig verre gehouden
van directe marktinterventies. Aanvankelijk ging men niet verder
dan het ondersteunen van het landbouwkundig onderzoek, onderwijs
en voorlichting. Pas halverwege de 20ste eeuw koos de Nederlandse
overheid voor een markt- en prijsbeleid. Later nam de Europese Economische
Gemeenschap de kern van dit beleid over in het Gemeenschappelijk
Landbouwbeleid (GLB).
Dit
hele complex heeft de Nederlandse land- en tuinbouw een enorme impuls
gegeven. Nieuwe technologieën werden ontwikkeld en vonden ook
snel hun weg in de sector. Natuurlijke risico's werden dankzij wetenschap
en techniek min of meer vermeden. Dat hiermee nieuwe - ecologische
- risico's genomen werden, hadden slechts enkelen door. De productiviteit
en de productie stegen tot ongekende hoogte. De agrarische sector
in de industrielanden neemt daarom een volstrekt andere positie
in dan de agrarische sector in tal van ontwikkelingslanden. Daarbij
komt dat het systeem van sociale zekerheid in Nederland ondanks
alle bezuinigingen nog een vangnet biedt aan boeren en tuinders
die hun bedrijf moeten opgeven. Een dergelijk vangnet is in ontwikkelingslanden
doorgaans niet aan de orde. Het grote verschil tussen de positie
van boeren en tuinders in Nederland en die in de meeste ontwikkelingslanden
zit juist in deze brede context waarbinnen zij opereren.
Overheid moet ingrijpen
Gedurende
de eerste decennia na de tweede wereldoorlog bestond een zekere
consensus dat de handel in agrarische producten niet geheel en al
overgelaten kon en mocht worden aan het marktmechanisme.
Het
eerste wereldhandelsverdrag (GATT) koos weliswaar voor het principe
van een liberale wereldhandel, maar maakte meteen een uitzondering
voor de handel in agrarische producten. Deze uitzondering had te
maken met - wat we nu noemen - de soevereiniteit van landen om hun
eigen voedselvoorziening te regelen. Minstens zo belangrijk was
echter een ander argument. Men was de overtuiging toegedaan dat
een volledig vrije markt desastreus zou zijn voor de agrarische
productie. Dit had te maken met de afhankelijkheid van de agrarische
productie van natuurlijke processen. Maar men zag ook in dat boeren
en tuinders niet of nauwelijks konden reageren op prijsschommelingen.
Het was aan overheden om maatregelen te treffen om boeren en tuinders
te beschermen tegen de zogenoemde functieloze prijsfluctuaties.
Het
oorspronkelijke gemeenschappelijke landbouwbeleid (GLB) van de Europese
Unie was ook op deze veronderstelling gebaseerd. De EU zorgde -
voor zover de sector dat zelf niet kon - voor redelijke prijzen
met het oog op de inkomensvorming op moderne, goed geleide agrarische
bedrijven. In aanleg kreeg de consument de rekening gepresenteerd,
omdat die in de winkel de rechtvaardig geachte prijs moest betalen.
De redelijke en voorspelbare prijzen vergemakkelijkten investeringsbeslissingen
van boeren en tuinders en uiteraard ook de kredietverlening door
banken. Het GLB leidde doorgaans tot een prijspeil dat hoger lag
dan de wereldmarkt. Dit betekende dat ook aan de buitengrenzen maatregelen
getroffen moesten worden. Heffingen op importen, teneinde te voorkomen
dat de eigen producten weggeconcurreerd zouden worden door de lager
geprijsde buitenlandse producten. Subsidies op exporten, teneinde
te kunnen concurreren op de wereldmarkt. Zolang de EU een netto-importeur
was, was daar niets mis mee. Maar toen rondom 1980 structurele overschotten
ontstonden, rezen de budgettaire lasten (opkopen en opslaan van
overschotten, exportsubsidies) de pan uit. Het punt was dat de EU
verzuimd had om de keuze voor rechtvaardige interne prijzen te combineren
met maatregelen om de productie te beheersen.
Tucht van de vrije markt
Eind
jaren tachtig kwam de omslag. De land- en tuinbouw raakte zijn uitzonderingspositie
in de GATT (later WTO) kwijt. Ook deze sector kwam - in aanleg -
onder de tucht van het vrije marktmechanisme. De Europese Unie koos
in het verlengde hiervan voor een geleidelijke vervanging van het
prijsbeleid door een inkomensbeleid. De binnenlandse prijzen zouden
geleidelijk op het niveau van de wereldmarktprijzen gebracht worden,
waarbij de boeren en tuinders onder voorwaarden aanspraak konden
maken op directe inkomenstoeslagen. Waar prijssteun primair betaald
werd via hogere consumentenprijzen, zijn inkomenstoeslagen direct
zichtbaar in het overheidsbudget. Vroeg of laat gaat daar een streep
door, was destijds de vrees en lijkt nu werkelijkheid te worden.
De
huidige dominante visie is dat overheden niet direct behoren in
te grijpen in de markten voor goederen en diensten. Overheden beperken
zich tot het stellen van de randvoorwaarden, de spelregels. Niet
meer en ook niet minder. Met enige goede wil bestaan die randvoorwaarden
uit de Universele Veklaring van de Rechten van de Mens, de ILO arbeidsrechten,
milieuverdragen en dergelijke. Gevreesd moet echter worden dat de
WTO-spelregels domineren over de humane en ecologische waarden.
Directe interventies in prijzen vanuit bepaalde opvattingen zijn
hoe dan ook uit den boze, althans binnen deze visie.
Keuzen maken
De
Fair Trade beweging heeft ook direct te maken met de geschetste
terughoudendheid van overheden om direct in te grijpen in de prijsvorming.
De huidige koffiecrisis biedt in dit verband voldoende stof tot
nadenken. Een pleidooi voor fair trade of Max Havelaar koffie -
hoe belangrijk ook - vormt geen bevredigend antwoord op deze crisis.
De
Oxfam campagne Make Trade Fair pleit voor een reddingsplan voor
de koffie. Zonder ook maar iets af te willen doen aan het reddingsplan
als geheel, valt mij één terugkerend punt op, namelijk
de keuze voor 'fatsoenlijke prijzen' (decent prices). Men wil toewerken
naar een situatie waarbij de balans tussen vraag en aanbod zodanig
hersteld is dat producenten redelijke prijzen (reasonable prizes)
voor hun koffie ontvangen. De prijzen - zo formuleert Oxfam - moeten
boven het niveau van de productiekosten liggen. De koffieboeren
dienen vertegenwoordigd te zijn in de organen die deze taak krijgen.
Oxfam lijkt te pleiten voor een mondiaal markt- en prijsbeleid.
Inhoudelijk lijkt mij dat een juiste keuze. Maar ik heb wel twee
vragen. De eerste vraag is of dit voorstel in het tegenwoordige
tijdsgewricht realistisch is. Moet een werkelijk reddingsplan -
om serieus genomen te worden - niet meer in de sfeer van het haalbare
gebracht worden? De tweede vraag is hoe Oxfam deze principiële
keuze voor fatsoenlijke prijzen voor koffieboeren verbindt met hun
keuze voor het vrije marktprincipe waar het gaat om het GLB? Naar
mijn gevoel wringt dit, althans op principieel niveau.
Het
Fair Tradejaarboek kiest in het koffiehoofdstuk voor een andere
benadering. Men legt zich neer bij het gegeven dat het concept van
rechtvaardige prijzen en de bijbehorende overheidsinstrumenten verleden
tijd is. De eerste politieke verantwoordlijkheid ligt bij het afremmen
van de speculaties op de termijnmarkt door middel van een kleine
heffing op speculatieve transacties. De tweede politieke verantwoordelijkheid
is het gericht inzetten van de bestaande compensatiefondsen (IMF,
EU) als rooi- en plantpremies. Boeren zouden dan beter in staat
zijn om zonder kapitaalverlies te reageren op prijsdalingen. Daarnaast
zouden koffieboeren en hun organisaties in staat gesteld moeten
worden om prijsrisico's af te dekken door te handelen op de termijnmarkt.
Deze benadering heeft wellicht nog een wat theoretisch karakter,
maar ze sluit wel aan bij het huidige voorkeur voor het marktmechansme
en een terughoudend overheidsoptreden en ze biedt ook een antwoord
op het risico van prijsschommelingen. De vraag is of ze in de huidige
situatie van extreem lage koffieprijzen nog zoden aan de dijk zet.
Tenslotte
is er op initiatief van de Fair Trade Organisatie in Nederland een
koffiecoalitie opgericht. Deze richt zich vooral op de arbeidsomstandigheden
op grote koffieplantages en op ketenverantwoordelijkheid van koffiebranders
zoals Sara Lee/DE. De koffiecoalitie houdt afstand ten opzichte
van al te omvattende visies op het marktmechanisme en het marktbeleid.
Tegelijkertijd laat ze zich ook niet beperken tot het beperkte markfragment
van de fair trade koffies van kleine boeren. De koffiecoalitie heeft
een dubbele inzet. De eerste is om coalities te sluiten met organisaties
van arbeiders die op koffieplantages werken en om hun posities te
versterken. De tweede is om mede op basis van deze coalities de
koffiebranders dringend te verzoeken om hun ketenverantwoordelijkheid
te nemen. Zij zijn - in woorden van demissionair-staatssecretaris
Pieter van Geel - immers medeverantwoordelijk voor 'de omstandigheden
waaronder .landbouwgewassen worden geteeld'. De koffiecoalitie -
waarin naast de Fair Trade Organisatie, de stichting Max Havelaar,
de Landelijke Vereniging van Wereldwinkels en Oikos onder andere
ook de vakbonden deelnemen - benadert het vraagstuk niet primair
vanuit de prijzen maar vanuit de rechten van arbeiders. Een hogere
beloning staat hierbij centraal, wat uiteraard kan leiden tot prijsstijgingen.
Deze
drie benaderingswijzen sluiten elkaar niet geheel en al uuit. Sterker,
ze kunnen elkaar in de praktijk prima aanvullen. Waar het mij in
dit verband om gaat, is dat een visie op de betekenis van het markt-
en prijsbeleid van een overheid goede doordenking behoeft om coherent
en consistent te zijn. Het is niet verstandig om in één
adem bij koffie te pleiten voor fatsoenlijke kostendekkende prijzen
en bij de Europese land- en tuinbouw een halfslachtige poging daartoe
als protectionisme af te wijzen. Waarom zouden boeren en tuinders
in Nederland geen recht hebben op fatsoenlijke prijzen?
Davis Renkema
Ir.
D.L. Renkema is werkzaam bij de stichting Oikos. Hij was als landbouwdeskundige
van 1984 tot 1998 nauw betrokken bij de bezinning binnen de kerken
op het brede terrein van de land- en tuinbouw. Aan de vooravond
van de oprichting van de stichting Max Havelaar maakte hij deel
uit van de kerkelijke delegatie die bijna tot een akkoord kwam met
de Vereniging van Nederlandse Koffiebranders en Theepakkers over
het inkoopbeleid. Tot het einde van de jaren negentig hield David
Renkema zich bij Oikos voornamelijk bezig met de internationale
aspecten van voedselzekerheid. Later verschoof zijn werkterrein
naar duurzame ontwikkeling, met name het klimaatbeleid. Sinds 1995
maakt hij deel uit van de redaktie van de Handelskrant.
|