| Klein, maar dapper. Dat is Pequeno (Portugees voor 'klein'), een klein vermogensfonds, dat zich aanvankelijk vooral bezig hield met op kinderen gerichte projecten in Brazilië. Langzamerhand is er een tweede doelstelling bijgekomen: het deelnemen in projecten die leef- en werkomstandigheden op het platteland verbeteren. Gaandeweg ontstond er ook een derde activiteit: het luiden van de noodklok over slechte investeringen in niet altijd goed lopende projecten. Dat wordt Pequeno niet altijd in dank afgenomen. Directeur Irene Mol: 'Wij worden door sommigen gezien als de horzel in de pels van de ontwikkelingswereld.' Een gesprek over de noodzaak tot transparantie. En de tegenwerking uit de eigen branche.
Wat doet Pequeno eigenlijk?
Mol: "Pequeno is een klein vermogensfonds dat sinds 1996 zo'n 60 projecten financieel heeft gesteund, meestal op het gebied van onderwijs, huisvesting, kleinschalige en biologische landbouw. Soms werken we meerdere jaren met een partner-organisatie samen, soms steunen we een project eenmalig. Meestal gaven we steun via een bemiddelende organisatie, soms ook direct aan het project."
Dat klinkt niet bepaald uniek. Hoe zijn jullie dan tot jullie 'klokkenluiders-rol' gekomen?
Mol: "Wij merkten toen we onze projecten en investeringen gingen bezoeken en analyseren, dat er op allerlei fronten van alles mis ging. Niet overal en altijd, maar we kregen genoeg signalen om ons serieus zorgen te maken. En we hebben natuurlijk contact gezocht met onze partners in Brazilië en Nederlandse organisaties, die onze projecten medefinancierden. In een enkel geval waren onze tussenpersonen in Brazilië zelfs Nederlanders die veel geld in Nederland binnenhaalden."
Die andere organisaties en fondsen waren zeker wel blij met jullie opmerkzaamheid?
Mol: "Was dat maar waar! Sommige wel, maar in een paar gevallen wilden en willen ze er echt niets van weten. 'Dit mag nooit naar buiten komen,' horen we nogal eens. En dan heb ik het over kleine fondsen, maar ook over grote namen. Uiteindelijk wil iedereen zijn geldschieters een mooi plaatje voortoveren. Iedereen is bang voor de donateur, groot of klein terwijl ik er van uitga dat die volwassen genoeg is om ook je tegenslagen en fouten te verwerken. Dat is pas echt transparantie. Daar hebben partculiere donors en grotere fondsen gewoon recht op."
Is misbruik en mismanagement bij ingewikkelde projecten in derde-wereld landen eigenlijk wel te vermijden?
Mol: "Het is moeilijk, dat klopt. Zeker als vermogensfonds word je vaak beschouwd als een 'zak met geld' die wel even opengetrokken kan worden. En de feodale verhoudingen in een land als Brazilië maken het werken niet eenvoudig. Maar dat is reden te meer om heel zorgvuldig te werk te gaan. En ook je mislukkingen eerlijk te melden. En te leren van je fouten en ervaringen. En dat is me tegengevallen. Over het algemeen overheerst de doofpot als wij iets aanhangig maken. Angst voor grote gevers en particuliere donateurs. Terwijl die gewoon recht hebben op eerlijke informatie. Dat waarderen ze juist: laat maar zien dat het lastig is, maar dat je wel bereid bent kritisch naar je eigen fouten en te grote vertrouwen te kijken."
Hoe moet ik me dat misbruik voorstellen?
Mol: "Een voorbeeld van fraudegevoeligheid is de zogenaamde double funding. Een project of tussenpersoon schrijft een mooi verzoek om geld en dient dat bij meerdere organisaties in. Vijf van de tien organisaties zeggen bijvoorbeeld 'ja' tegen hetzelfde subsidieverzoek, niet wetend dat er ook al vier andere ja hebben gezegd. Andere misstand: er zijn organisaties die doen alsof ze een CBF-verklaring van geen bezwaar hebben, terwijl dat niet (meer) zo is. Dat noem ik bedrog."
Maar misstanden en fouten komen toch naar buiten in jaarverslagen en rapportages?
Mol: "Jaarverslagen zijn te globaal. En in interne rapportages komt zoiets inderdaad wel eens naar buiten, maar dan wordt het vaak meteen weer toegedekt. Dan horen de donateurs vervolgens gewoon niets meer van zo'n project. Ik zeg: naar buiten ermee. Toegeven dat je bent 'opgelicht', verkeerde keuzes hebt gemaakt, en een plan maken om dat voortaan te voorkomen. Een ander probleem is ook dat er soms wel erg innige banden tussen organisaties hier en in het verre land zijn ontstaan. Dan weet de organisatie of het fonds hier in Nederland wel dat het niet kosjer is, maar ze zijn inmiddels goede vrienden geworden."
Wat zou de oplossing kunnen zijn? Meer regelgeving omtrent transparantie?
Mol: "Aan de ene kant wel, maar ik ben ook huiverig voor al te veel regels. Dat roept nu eenmaal ook weer de normale reactie op: die ga ik ontduiken. Ook met het CBF-keurmerk ben ik maar matig gelukkig, het stimuleert de concurrentie en het gaat me te veel alleen over geld. Bovendien gaat het CBF-keurmerk niet verder dan de Nederlandse grens. En eigen gedragscodes kunnen ook veel verhullen en eventueel als wervingsargument worden gebruikt.
Ik denk dat het het beste is als er van binnen uit een kritische houding ontstaat. Ik heb liever dat wij een collega-fonds wakker schudden dan dat journalisten met een negatieve basishouding dat doen. Ik snap niet dat andere organisaties dat niet inzien. Wat de nabije toekomst betreft: ik zou graag een soort database op internet willen waarop ontwikkelingsorganisaties en -fondsen hun ervaringen met allerlei mensen, instanties en projecten uitwisselen."
Pakken jullie je eigen projecten anders aan sinds de slechte ervaringen?
Mol: "Ja. We zijn met sommige projecten gestopt en we investeren nu in minder projecten waar we dieper op ingaan. Duurzaamheid staat voorop. En we berichten heel open ook over onze tegenvallers."
Pequeno beheert het geld van één persoon. Is die wel zo gelukkig met jullie kritische houding?
Mol: "Natuurlijk hebben we daar veel over gediscussieerd. Maar hij staat helemaal achter onze pogingen om misstanden aanhangig te maken en een discussie in de hele branche (en dan vooral onder ontwikkelingsorganisaties) aan te zwengelen."
Ontwikkelings- en hulporganisaties genoeg, maar een kritische onderzoekende waakhond voor dat werk is er nog niet. Ligt daar niet jullie toekomst?
Mol: "Misschien wel, het zal in ieder geval voorlopig een belangrijk deel van onze activiteiten blijven De boel opschudden. Maar natuurlijk willen we ook zélf projecten blijven steunen. Al was het maar om feeling met het veld te houden en niet van achter een bureau een onderzoek te doen en een mening te geven. Het is natuurlijk niet ons doel om alleen maar lastig te zijn. Donaties bestrijden te vaak alleen gevolgen, terwijl de oorzaken in een veel eerdere fase aangepakt hadden kunnen worden. Wat we het liefste willen is duidelijk maken dat er andere manieren zijn om de afhankelijkheid van kansarme mensen te verkleinen door duurzame vormen van doneren, investeren en consumeren. Zo kunnen we de negatieve ervaringen omzetten in iets positiefs."
Uit: FM-Weekly 24 maart 2005 (www.fm-platform.nl)
|